Mysterie der poëzie en mystificatie der poëten, volgens de sociëteit van Jezus

door Marc Bruynseraede

 

Van de Jezuïeten – de stoottroepen van de contrareformatie – is geweten dat zij verbeten betweters zijn. Dat blijkt weer uit een stuk, dat Libert vander kerken S.J. (nomen est omen) zo’n 77 jaar geleden liet verschijnen in het cultuurblad Streven Jaargang 12 (1945), onder de titel ‘Mysterie der poëzie en mystificatie der poëten’.

Den Eerwaarde Libert heeft eventjes twee ‘goedgemaakte’  bloemlezingen van lyrische poëzie ter hand genomen (‘Honderd verzen’ van Dirk Coster, uitg. 1927) en ‘Introduction à la  poésie française’ , om tot het besluit te komen ‘bij het rustige genot van de lezing’ wàt het wezen van de poëzie zoal mag zijn.

Terwijl Alja Spaan en haar collega’s zich al jàààren de moeite getroosten te achterhalen wat nu juist een gedicht goed maakt, heeft Libert vander kerken het antwoord, als een wit konijn, terstond uit de hoed getoverd. Het is niet nodig te weten wat poëzie in zich is, dixit Pater Libert. Ondervraagd over het wezen der poëzie weten zelfs de kenners niet meer dan wat goedkope banaliteiten te debiteren of ‘enkele diepzinnigheden der philosophische aesthetiek’  die het lezend publiek nauwelijks interesseren.

Neen, Pater Libert heeft de mosterd gehaald bij zijn confrater in de sociëteit van Jezus, Henri Bremond,  eminent lid van de Académie Française, die destijds voor de dag kwam met zijn theorie over de ‘poésie pure’, uitgegeven door B. Grassee in 1926, nog net vóór Paul van Ostaijen zijn inzichten over de ‘zuivere lyriek’ ging formuleren.

Het is simpel, zegt Henri Bremond: ‘Poëzie is een ‘Jenseits van alles’. Poésie pure ligt niet in de gedachten, niet in de beelden, niet in de gevoelens, noch in klanken of ‘rhythmes’; zij is gewoon ‘ce qui reste à dire quand tout a été dit’. (dat wat nog dient gezegd te worden, als alles al gezegd is.)

Voilà, Alja, ziedaar het antwoord. De poésie pure is iets mysterieus, een mysterie. Poëzie is, in essentie, verborgen schoonheid. ‘Zij verbergt zich in het gedicht evenzeer als zij er zich in openbaart. Zij openbaart zich juist het meest poëtisch door zich te verbergen, door zich intuïtief te laten vermoeden eerder dan door zich glansrijk te laten aanschouwen.”

En, wil je nog iets weten, Alja ? ‘Het wezen van elk gedicht is : als een introductie tot zichzelf te zijn, een terugtocht naar eigen diepte, een door een verliezen van eigen uiterlijkheid, zichzelf verliezen in eigen mysterie’.  Jezuïetischer kan het niet geformuleerd worden: juist in de leer.

Het mysterieuze van de poëzie opent natuurlijk ook een achterpoortje. Want als het mysterieuze zich openbaart als een ‘besloten geheimzinnigheid, aanlokkelijk en onbegrijpelijk’ dan ligt hier een unieke kans voor epigonen en minder begaafde dichters, om onbegrijpelijke nonsens te camoufleren als ware poëzie, omwille van de mysterieuze verschijningsvorm.

Vandaar dat ‘geheimzinnige imagerie’ wordt opgevoerd en gereduceerd tot ‘loutere schijn’, met behulp van de zo geroemde dichterlijke vrijheid die eigenlijk niet méér is dan ‘zeer ondichterlijke willekeur’. Willekeur, dixit L. vander kerken, is absoluut geen vorm van hoge vrijheid. ‘Vrijheid is het beheersen der inwendige noodzakelijkheid, waardoor een wezen zichzelf is en wordt’. De willekeur van het geheimzinnige integendeel heeft de poëzie
gaandeweg van haar noodzakelijke zin ontledigd. En zo is het mysterie gewoonweg mystificatie geworden.

Dit laatste heef tot gevolg, aldus Libert vander kerken, dat de poëzie veel van haar belangstelling is gaan verliezen. Dit groeiend gemis aan interesse is op rekening te schrijven van het ‘schijnwezen en objectieve afwezigheid der hedendaagse poëzie. We hebben tegenwoordig betrekkelijk veel poëten en betrekkelijk weinig poëzie.’ Tussen haakjes : misschien daarom dat de stad Antwerpen niet één maar VIJF stadsdichters heeft.

Bij ontstentenis der poëzie, zo stelt de auteur, huldigt men de poëten. En deze hulde binnen de poëtische stand houdt een onderlinge mystificatie kunstmatig in stand.

Het komt er dus op aan, uit de meanderende gedachtenkronkels van de poëten, de schone schijn van de ‘spontane, volmenselijke schoonheid’ te onderscheiden. En klaar is kees.

 

afbeeldingen:
Ignatius van Loyola, stichter van de Jezuïetenorde, boekenwurm en grondlegger van het Grote Gelijk, portret gebruikt door https://www.kerknet.be/, José de Ribera
Libert vander kerken, portret uit Ons Erfdeel Jg 27 dbnl
Lezen is leuk, www.Klasvanjuflinda.nl

 

 

Geplaatst in Column.