Ad Zuiderent – Kijken met andermans ogen

Welkom op dit bochtige parcours

door Herbert Mouwen




De elfde dichtbundel van Ad Zuiderent Kijken met andermans ogen heeft twee blikvangers. Op de voorkaft staat een bijzondere foto van du Pont d’Aleyrac te Saint-Pierreville (Ardèche). Het is een brug waarbij een klein museum (La Fabrique) gevestigd is. Op de website van de eigenaars is over La Fabrique te lezen: ‘Het geografische isolement heeft zichtbaar gemaakt, op het platteland een rechtvaardige aanwezigheid van kunst, een ‘ontsnapping’, aan het einde van een kleine weg. Komt wie wil en vertrekt met zijn neus naar de wind, verrijkt, getroost, hopen we, door een tijd van ontdekking, van gesprek met een werk.’ Kortom, zo’n museum, stap je binnen, dat wil je ervaren. Het is zo’n plek waar je lang wil blijven. Dat Ad Zuiderent dit museum heeft bezocht, verbaast me niet, zeker niet na het lezen van Kijken met andermans ogen. Het eerste prozagedicht in de bundel ‘Voor vreemde ogen’ is een uitnodiging aan de lezer: ‘(…), maak jezelf voor de tijd van je aanwezigheid vrij, maak je andermans ogen eigen’. Dan vervolgt de dichter met ‘er is hier nu niemand, maar welkom namens wie even weg is, met de blik op oneindig op de fiets gestapt om gevoelens te luchten, gedachten een voorlopig spoor te geven, achter vermoedens van zichzelf aan, met gerede kans uit te komen bij wat niet meer te kennen valt, (…)’. Dat Zuiderent en de fiets onafscheidelijk zijn is nagenoeg bekend. Het inleidende gedicht ‘Voor vreemde ogen’ is een uitnodigende handreiking aan de lezer, een leeswijzer om met andermans ogen te kunnen kijken: ‘vreemde ogen, welkom op dit bochtige parcours, (…)’.

Dwars door de bundel heen loopt een lijn met Ligthart – een speaking name – als hoofdpersoon. In het openingsgedicht ‘Voor vreemde ogen’ wordt de lezer ‘ook namens Ligthart’ welkom geheten, ‘die wel wordt versleten voor oud, kwetsbaar en zwaar op de hand, maar als gewezen provinciaal vertrouwd is met het incasseren van stigma’s en andere proppen die op hem worden afgeschoten’. Hoe was zijn naam ook alweer? Een aantal gedichten is geschreven vanuit een je-perspectief. De vraag is of in de gedichten waarin het je-perspectief wordt gehanteerd Ligthart aan het woord is of dat de dichter zijn lezers met ‘je’ toespreekt. Ligthart is in deze bundel het alter ego van de dichter. Met Ligthart creëert Zuiderent een autonoom personage in zijn poëzie, die dicht bij het karakter van de dichter zelf ligt, maar tevens zijn persoonlijke wereld op afstand van zijn dichterschap houdt. De dichter neemt afstand door een personage als Ligthart te presenteren, die overigens de ironie niet schuwt. Ligthart neemt de lezer al dan niet op de fiets mee voor een leestocht langs de Zuidas ‘in de krakende kou’, langs dalen in Frankrijk en door Hollandse polders, en dat in ‘een drijfnatte duisternis’, ‘onder eigen dak’ of de ‘zon tegemoet’. Wat Zuiderents poëzie complex maakt, is niet de ontoegankelijkheid van zijn gedichten, maar elk gedicht roept voortdurend de nodige vragen op bij de lezer. Vragen die ook bij de dichter leven, zoals uit het gedicht ‘Onder de bomen’ blijkt:

Was je iemand die met zeef een vijver leeggeschepte,
blaadjes te drogen legde in de zon?

Heb je ooit een papieren bootje losgelaten in een snelle beek,
op je rug een bladerdek bewonderd?

Hoelang heeft het niet geduurd voor je Japanse tuinen kende,
je in de explosie waagde van het kersenbloesempark?

Dat bladeren ook weer zouden gaan vallen,
ja, dat heb je van in den beginne geweten.

Maar waarom zou of iemand onder dode bladeren
als een tuin opnieuw ontstaat, een vraag zijn?

Het dichterschap van Ad Zuiderent is niet alleen een ontmoeting met de werkelijkheid of een herinnering daaraan, hij lijkt door middel van zijn poëzie die werkelijkheid ook een persoonlijke ordening te geven. In hoeverre voor hem de werkelijkheid chaotisch is, geeft hij deze in zijn gedichten een eigen(zinnige) samenhang. De dichter Zuiderent is een literair kunstenaar die daartoe in staat is. Soms gebruikt hij daarvoor teksten of citaten van andere dichters. Veel daarvan is terug te vinden in Kijken met andermans ogen. Topografische namen en tijdsaanduidingen zijn belangrijk in zijn poëzie, ze helpen hem zaken van vroeger te herinneren en tegelijkertijd geven ze hem de mogelijkheid heel precies te zijn in zijn gedichten wat het weergeven van ruimte en tijd betreft.

De derde afdeling van de bundel heeft de naam ‘Comédie-Française’, het is een verwijzing naar het belangrijkste staatstheater in Frankrijk, dat gelegen is aan de Rue de Richelieu in Parijs. Het gedicht ‘L’heure exquise’ is het kerngedicht in deze afdeling. Het oorspronkelijke gedicht met dezelfde naam is in 1870 geschreven door Paul Verlaine (1844-1896). Zuiderent heeft het zodanig bewerkt met versregels uit ‘Het tuinfeest’ (1917) van Martinus Nijhoff uit zijn bundel Vormen (1924), dat het de vorm van een beurtzang heeft gekregen. Het is een muzikaal natuurgedicht geworden dat toewerkt naar de twee slotregels: ‘de hemel is een feest van avondlicht / het pianissimo van onze sentimenten / (Dit is het sublieme moment)’. De afdeling bevat ook een opvallende reeks van zeventien ultrakorte gedichten die in drie gedichten verspreid over de afdeling zijn opgenomen. De reeks wordt afgesloten met het aardse, korte gedicht ‘Restant van een idylle’. Het gedicht spreekt voor zich:

Wie nu geen boomschaar, bosmaaier
of bladhark heeft, niets van Husqvarna,
Fiskars, Stihl, geen bijl, geen sikkel.
wetsteen, hakblok noch kettingzaag,
landhak of laarzenknecht, wie zelfs
geen kruiwagen heeft, moet brieven,
ansichtkaarten schrijven of gedichten.

Kijken met andermans ogen is niet alleen de titel van de bundel, maar ook de titel van de laatste afdeling. Deze afdeling bevat een gedicht met dezelfde titel dat ingaat op het werk van de Franse fotograaf Bernard Plossu, die bekend is vanwege zijn zwartwit foto’s van onder andere gebieden en steden in België. Hij is een wereldreiziger, een reizende fotograaf (of een fotograferende reiziger?) die onder andere foto’s door ruiten van auto’s en treinen heeft genomen. Veel van zijn foto’s worden afgedrukt in het ‘couleur Fresson-procedé’ dat een grove korreldruk behelst, het tegenovergestelde van de glanzende fotoafdrukken die wij in het algemeen gewend zijn. Het wordt ook wel ‘houtskooldruk’ genoemd. Deze fotograaf laat je anders naar de werkelijkheid kijken, naar de zwartwitrealiteit, naar details die niet eerder opvielen, maar karakteristiek zijn voor het leven op het platteland of in de verstedelijkte gebieden. Wanneer je meegaat in de wijze van kijken van Plossu naar de werkelijkheid, laat dat je niet meer los en die ervaring stelt Zuiderent in het gedicht aan de orde dat een wij-perspectief kent. Het opent met ‘Toen wij eenmaal Plossu hadden gezien, duurde het dagen / voor wij niet meer keken als Plossu, fotografeerden / als Plossu, (…)’.

De lezer van de gedichten kijkt bewust of onbewust naar de gecreëerde werkelijkheid van de dichter Zuiderent door de ogen van Lighthart, door de ogen van Plossu, door andermans ogen of met ‘vreemde ogen’. Ik heb er geen spijt van dat ik de uitnodiging in het openingsgedicht ‘Voor vreemde ogen’ aanvaard heb. Kijken met andermans ogen is geen dichtbundel die me als lezer vanwege de esthetiek emotioneel raakt of ontroert, het is wel een bundel die me meesleurt in de wijze van onderzoeken van de natuur en het landschap, dit een persoonlijke ordening geeft en tot kunst verheft. Eén ding is zeker: Kijken met andermans ogen heeft mij de ogen geopend.
____

Ad Zuiderent (2022). Kijken met andermans ogen. Querido, 88 blz. € 18,99. ISBN 9789021467856

Geplaatst in Recensies.