Rosemie Mels – Zolang kunnen woorden wijken

Ontwijkende en ontweken woorden

door Wim Platvoet




Zolang kunnen woorden wijken is de tweede bundel van Rosemie Mels (Sint-Niklaas, 1951). In 2001 is haar eerste bundel En anders dan zichzelf wordt niemand verschenen, waarover een recensent opmerkte: ‘In de stillevens die ze pagina per pagina uittekent, is de afwezigheid groot.’ Herman de Coninck, ‘de man die zijn volk poëzie leerde lezen’, prees haar poëzie als ‘authentiek en gevoelig’. Voorbereid door de flapteksten slaan we de bundel verwachtingsvol open.

De bundel bestaat uit zes cycli: ‘DE DAG BIJ HET STILSTAAND WATER’, ‘AANKOMEN / ONRUST’, ‘BRON EN BEDDING’, ‘AANKOMEN / RUST’, ‘NIRGENDS, GELIEBTE, WIRD WELT SEIN, ALS INNEN.’ en ‘STILTEHOEVE / DAMME’. In deze bundel kijkt Rosemie Mels terug op haar leven, op de mensen in haar leven en op de lessen die zij uit dat leven heeft getrokken. Zij wil ons in haar gedichten van dit alles deelgenoot maken. De eerste regels van het tweede, derde en vierde gedicht van deze bundel, zijn evenals veel andere regels geformuleerd in de gebiedende wijs: ‘Benader mensen met mate’, ‘Bewaar uw woorden / lange tijd in de stilte van uw ziel’, ‘Durf de pen neer te leggen’ – de vraag is of en hoe Rosemie Mels in deze nieuwe bundel haar adviezen tot uitdrukking brengt, en wat de lezer met deze adviezen moet. Gedichten bestaan uit woorden en de titel van de bundel – Zolang kunnen woorden wijken – lijkt dit advies ook uit te drukken. Maar de woorden kunnen voor de persoon en de dichter Rosemie Mels niet al te lang wijken. Zij wil in haar gedichten niet alleen op poëtische wijze de lezers adviezen geven, maar ook haar hoogstpersoonlijke gevoelens uitdrukken: daarvoor moeten woorden worden gebruikt, en ‘Dan zijn de woorden / die zich al jaren gekozen hadden / de juiste.’ en kunnen niet meer worden ontweken.
Zo speelt haar moeder een belangrijke rol in de elf gedichten tellende cyclus ‘AANKOMEN / ONRUST’.

Ik mis
de vanzelfsprekendheid
mezelf te zijn
zonder te weten wie ik ben.
Zij was moeder
van velen.
Aandacht kwam
zelden alleen.

Het oog een oog
met een oordeel
de ijkmaat
gemiddelden
tussen
braaf en brutaal
sprankelend en vaal.

Ik mis haar.
Zeer mooi was zij.

Ik weet niet zo goed wat ik van dit gedicht moet vinden. Het is te algemeen, en mist daardoor een bovenpersoonlijke universaliteit, ook omdat iedereen dit over zijn of haar moeder kan schrijven, zelfs in de vorm van een gedicht. Maar is het dan nog wel een gedicht? Iets verderop staat in dezelfde cyclus: god is een woord / dat ik niet uitspreek / een woord // ik word / mijzelf / ik vind / mijn zelf. Deze laatste regels zijn uitgesproken woorden die misschien beter ontweken hadden kunnen worden. Mij zeggen ze niets, en ze gaan over niemand, of over een abstract niet-bestaand iemand. In de cyclus ‘BRON EN BEDDING’ stelt Rosemie Mels tot twee keer toe ‘Bouw aan de bedding’. Ze schrijft ‘De mens moet bedding maken / voor de bron’, maar ook ‘Durf de bron vergeten.’ en ‘Laat de bron haar eigen tijd.’ Ze geeft hiermee een moralistische wending aan de spanning tussen bron en bedding, verder in deze cyclus uitgedrukt door de regels ‘Ontworstel je aan de mazen / van middelmaat en aanpassing.’

Niet alleen het verleden (in de geïdealiseerde gestalte van de moeder) speelt een belangrijke rol in deze bundel, Rosemie Mels worstelt ook met de toekomst: ‘De toekomst heeft haar doel verborgen / en roept om te worden gezocht’ lezen we direct in het eerste gedicht, en ook in het tweede gedicht worstelt de dichter met de toekomst én met mensen en geeft ze de nodige adviezen:

Benader mensen met mate.
Het verborgene vraagt
aandacht en afstand.
Laat je niet afleiden
en al is de toekomst in duisternis
je weet daar ga je heen
en kalm hak je de zachte steen
met zekere hand.
Laat na vergiffenis
te vragen aan vrienden
die je mist en mijdt.

Het innerlijk verband tussen deze regels is mij niet geheel duidelijk, maar misschien ontgaat de essentie van deze levensles mij. Tegenover deze regels staan de volgende regel, waarin een andere betrekking tussen mensen wordt geformuleerd: ‘En zij die je liefhad / zullen niet verdwijnen / uit je hart en je gedachten. / Al is hun wereld / ver en ijl / je kent hun wezen / je hoort hun ziel.’ De moeder en andere centrale thema’s van de bundel keren terug in de cyclus ‘AANKOMEN / RUST’: ‘Je hebt bij leven / de weg te volgen / van je eigen leven. / Ook al betekent het / dat je je moeder / moet laten.’, en het slotgedicht van deze cyclus opent met de fraaie regels: ‘Ik moet / de paden gaan / eer ze terechtkomen / op de kaart van / mijn leven.

Wat te vinden van de volgende regels, op het eind van de bundel, regels waarin de titel voorkomt: ‘zolang kunnen woorden wijken / beter nog verdwijnen ze / zolang er iemand / bij is / die kijkt – / waar ook.’ Ik kijk naar de bundel en lees de woorden, maar ze verdwijnen niet, ze blijven er staan. Maar als ik de overdreven lovende flaptekst lees, verdwijnen ze toch. Voor mij geldt helaas niet dat ‘Rosemie Mels de lezer dieper binnen in haar wereld lokt’. Ook heb ik moeite met de de volgende bewering op de eerste binneflap: ‘Ze formuleert nog steeds uitgepuurde ideeën in een simpele zin.’ Misschien zijn het voor haarzelf uitgepuurde ideeën, maar van een gedicht verwacht ik iets anders. Eerder ruwe, onbewerkte ideeën. Het is allemaal te voltooid, te af, te clichématig – en daardoor juist het tegendeel van ‘wat haar zichzelf maakt’. Dergelijke overdreven lofprijzingen hebben juist een tegengesteld effect en roepen bij mij in ieder geval geen zin op om de bundel te lezen. Ik prijs de uitgever die het aandurft een poëziebundel te presenteren zonder flaptekst. De kracht van goede poëzie is juist dat zij voor zichzelf spreekt – en dat sommige woorden en zinnen blijven hangen.
____

Rosemie Mels (2022). Zolang kunnen woorden wijken. Uitgeverij P, 64 blz. € 17,00. ISBN 9789493138766

Geplaatst in Recensies.