Wat Maakt Een Gedicht Goed? (61)

door Monique Bol

 

De sfeer van een gedicht wil ik ervaren met al mijn zintuigen. Lees ik een gedicht over frambozentaart, dan wil ik dat het water me in de mond loopt, wil ik de smaak van de vruchten proeven. Bij een sneeuwgedicht wil ik de kilte voelen tintelen tot in mijn tenen.

Verwondering en fantasie zijn goede schrijfingrediënten. Het hoeft niet altijd groots te zijn. Een dichter kan treffende beelden oproepen bij wat zich afspeelt in het alledaagse. Ook hoeft een gedicht niet gelukkig te eindigen. Een afgebladderd raam kan een dichter uitdagen. Hij kan ervoor kiezen om te schrijven over wat zich achter de gordijnen afspeelt.

Goedgekozen regeleindes en witregels geven een gedicht de nodige ademruimte. Rijm hoeft niet per se, al kan ik een sonnet of villanelle wel waarderen, zolang rijmdwang achterwege blijft. Een rijmschema perfectioneren belooft uren puzzelplezier.

Een gedicht is goed als je het wil herlezen, waarbij je nieuwe invalshoeken of elementen ontdekt. Toen ik het gedicht Totaal Witte Kamer van Gerrit Kouwenaar voor het eerst las, begreep ik er geen snars van. Het bleef me intrigeren en daarom zocht ik naar achtergrond. Hoe meer ik erover las, hoe meer ik het verhaal achter het gedicht dacht te begrijpen. Nog steeds wil ik het herlezen.

Een gedicht kan ontstaan als een gegeven je treft of als je bij het ontwaken een woord of idee cadeau krijgt. Vind je niet direct de tijd om te schrijven, dan broeit de gedachte, tot wanneer je ze aan het papier kan toevertrouwen. Tijdens de creatie ervaar je de flow, voel je de onderhuids onbedwingbare drang waarmee het gedicht geschreven wil worden. En kijk, zo kan zomaar een goed gedicht ontstaan.

 

Voor Monique Bol is dichten als ademen.

Afbeelding (c) Monique  Bol.

Geplaatst in Column.