“Als ik begin te schrijven, vergeet ik de tijd.”

Monique Bol (1966) is een laatbloeier. Ze houdt van de spanning van poëziewedstrijden en haalde een grote vis binnen met een stadsgedicht in Ronse en een gedicht in Sint-Truiden. Ze publiceerde in gelegenheidsbundels. Gedichten van haar hand werden gematerialiseerd in plantentuinen, op een kerkhof, langs een wandelpad of in een winkelstraat. Ze sloot zich aan bij de klimaatdichters, waar ze samen met 215 dichters ijvert voor een klimaatvriendelijke wereld. Af en toe laat ze zich verleiden tot een optreden, vooral in haar rol als stadsdichter van haar geboortestad, Hoogstraten.
Alja Spaan sprak met haar.

In november 2021 verscheen je debuutbundel er liggen twee holtes op je kussen, bij uitgeverij C. de Vries-Brouwers. In de recensie op Meander suggereert Ivan Sacharov dat ‘holte’ ook verwijst naar de ruimte in de hersenpan, de plek van onze gedachten. Moet daar ruimte zijn alvorens je kunt dichten?
Absoluut. Als je hoofd vol zit met dagelijkse zorgen, dan kun je niet schrijven. Dan is er geen tijd en geen zin. De piramide van Maslow, die stelt dat je jezelf pas kunt ontplooien als alle andere voorwaarden vervuld zijn, is ook van toepassing op dichten. Pas als je fysiologische behoeften als ademen, eten, seks, slaap en beweging vervuld zijn, als je je veilig waant, sociaal geaccepteerd in liefde en in vriendschappen, en als je waardering en respect ervaart, pas dan kun je tijd inruimen voor zelfrealisatie, dan kun je dichten.
Af en toe steekt schrijfdrang de kop op. Dan laat ik alles vallen en begin ik te schrijven tot ik uitgeschreven ben. Zes jaar geleden wandelde ik in Italië met een groep onbekenden langs het pad van Franciscus van Assisi. Op de tocht zou ik elke dag mijn ervaringen en emoties noteren.
Na de reis had ik niet één woord geschreven. Enkele maanden later werd de streek waar ik had gewandeld, opgeschrikt door een aardbeving. Het leek of er in mij een vuur oplaaide. Ik begon te schrijven, kon niet meer ophouden. Een week later was de eerste versie klaar van een bundel met 52 gedichten. Een aantal gedichten uit die bundel werd genomineerd in wedstrijden.

Wat zijn voor jou de voorwaarden om te kunnen schrijven? Heb je daarbij bepaalde rituelen?
Ik kom pas toe aan schrijven als mijn bureau opgeruimd is en als er geen klussen op me wachten. En als het stil is in huis.
Soms sta ik op met een zin in mijn hoofd. Daarop broei ik, soms dagenlang. Hoe langer ik wacht, hoe makkelijker ik de rest van het gedicht op papier zal krijgen. Het wachten vergroot de schrijfdrang. Liefst schrijf ik als passagier in een auto of in de trein tijdens een lange rit. Soms neem ik zomaar de trein, naar nergens, gewoon om te schrijven.
Ik schrijf met balpen op lijntjespapier. Ik verzamel schriften en notitieboekjes.
Steeds herschrijf ik daarin de woorden. Ik schrap of vermeerder het aantal woorden, verschuif de plaats van de witregels, kies andere synoniemen of rijmwoorden. Als ik denk dat het gedicht klaar is, typ ik de tekst over.
Pas dan begint het werkelijke schrijven en schrappen. Een gedicht kan een doorlooptijd hebben van een paar maanden. Zeker bij een sonnet of een villanelle gaat er veel tijd overheen.

Is de bundel op een bepaalde manier opgezet? De hierboven genoemde recensent heeft het over een verhaallijn als je alle titels van de hoofdstukken achter elkaar zet.
Dat heeft hij goed gezien. Ja, de bundel gaat over de liefde in de verschillende stadia van het leven, van prille verliefdheid over vriendschap en liefde, tot eenzaamheid, afwijzing en verlies.
Het eerste en het laatste gedicht horen daar niet bij. Dat deed ik bewust. De lezer krijgt een voorafje, als een aperitiefje bij het diner. Aan tafel worden banden gesmeed. Het laatste gedicht overschouwt de inhoud.

Wil je de lezer iets vertellen? Houd je rekening met hem of haar als je schrijft?
Tijdens mijn opleiding creatief schrijven leerde ik dat gedichten het beste tot hun recht komen als ze universeel zijn, als de lezer zich aangesproken voelt. Het is een moeilijk gegeven, want soms schrijf ik over wat dicht bij me staat. Dan laat ik het mijn vader lezen en dan zegt hij: ik begrijp het omdat ik de persoon of de situatie ken waarover je schrijft. Dan is het tijd om te schaven.

Wat betekent het schrijven voor jezelf?
Voor mij is schrijven in een flow gaan en de zorgen achter me laten. Als ik begin te schrijven, vergeet ik de tijd. Als ik dan opkijk, is er een halve dag weg. Ik doe graag mee aan schrijfwedstrijden, ik hou van de spanning van het wachten op het oordeel van de jury. Natuurlijk is het fijn om genomineerd te worden. Dan heb ik eer van mijn werk en weet ik waarom ik 40 uur aan één gedicht werkte.
Wedstrijdthema’s dagen me uit om te schrijven over onderwerpen die ik zelf niet zou kiezen. Onlangs had de jury van een wedstrijd unaniem mijn gedicht geselecteerd. In mijn enthousiasme voor het thema had ik het wedstrijdreglement niet gelezen. Daarin stond dat ik een band moest hebben met de stad. Ik was er zelfs nooit geweest. Dat geef ik dan eerlijk toe. Voor mij voelt het aan alsof ik die eerste prijs won, ook al krijg ik hem niet. Ik heb er vrede mee.

De recensent stelt zichzelf de vraag ‘Kan ik dit allemaal uit het gedicht halen’? Hij doelt op het karakter van de ik-persoon. Heeft elk gedicht iets autobiografisch? (Blijkbaar ben je romantisch èn mysterieus en heb je een bourgondische inslag 😊)
Gedichten kunnen niet losgekoppeld worden van de identiteit van de dichter. Toch kan ik een gedicht schrijven vanuit de ogen van een mijnwerker, al zette ik nooit een voet in een mijn. Opzoekwerk is cruciaal. Inlevingsvermogen helpt. Handige tools zijn: graven in het verleden, kijken naar films of kunst, of ervaringen en emoties oproepen. Of plekken bezoeken waar je niet eerder was. En natuurlijk ook andere dichters lezen. Wie ik ben, dat laat ik graag over aan de fantasie van de lezer. Ik vind privacy belangrijk en zal nooit zeggen of een gedicht al dan niet autobiografisch is.

maanrand

een ooievaar kleppert in de nacht
haalt me uit een droom. op de tast
loop ik naar de hal, de deur
weert zich. ik kom er niet doorheen

de grens tussen donker en licht
omarmt me, water troost
de droge lippen. de slaap wil niet komen.
ik proef het midden van de nacht

door het glazen dak tel ik
het oneindige van de sterren, ik spies ze
op het topje van mijn vinger
drentel – op de rand van de maan

Moet een dichter een maatschappelijke rol vervullen? Of is het genoeg om de lezer te vermaken?
Het hoeft niet altijd maatschappelijk verantwoord te zijn. Een dichter kan ook het spelen met woorden benadrukken, of het poëtische, of hij kan emoties losmaken bij de lezer.
Ik ben blij met De Klimaatdichters. Samen met hen kan ik het klimaatbewustzijn vergroten en zo meewerken aan een leefbare wereld voor onze nakomelingen.

toeval bestaat niet

een man kijkt om zich heen. vanuit de lucht gezien
vormt het water een grote vogel, weet hij
even schuilt hij onder een boogbrug, in het licht
van de toren zoeken klare ogen naar taal

feeëriek straalt de lantaarn. de man speelt
met woorden in het hoofd. zelfs in kille regen
nodigt het pad hem uit tot een ommetje met de hond
man en wilg reiken de hemel de hand

de bruggen markeren de grootsheid van toen
ze bezielen de vest. sterk in zinnen draagt de man
verzen voor aan de melkgroene ribbels waarin hij
karpers vermoedt, of een geleende fiets

eenden strepen het water. de wereld aan zijn voeten
ademt historie, zo zegt hij nog. op de cadans
van de druppels kwispelt de hond, hij blaft
om de strofen, ze strijken langs de vest

De recensent eindigt met het gedicht werkkamer. Hij noemt het origineel en vindt het boeiend ‘je eigen werk met dat van een ander te vergelijken’. Heb jij voorbeelden of idolen in de poëzie?
Volgens mij werd het zaadje in mijn kindertijd geplant door mijn vader en grootmoeder. Ze verzonnen verhalen en rijmden vaak. Later begon ik poëzie te waarderen nadat ik Totaal Witte Kamer van Gerrit Kouwenaar onder ogen kreeg. Ook het oeuvre van Marleen de Crée sprak me aan, net als het gedicht De Geluidsinstallatie van Maud Vanhauwaert. Het gedicht Uitgesproken van Marc Tritsmans hangt thuis aan de muur. Er zijn ook inspirerende poëtische liedteksten.

Op je site lees ik een ontroerende brief aan Marleen de Crée die begint met ‘voor jou doe ik extra mijn best’. Kun je iets meer over jouw interesse in haar vertellen? De vanzelfsprekendheid in of van haar poëzie: is dat iets wat jij nastreeft?
Ik ontmoette Marleen bij een voordracht. Wat me aantrok, was haar schrijfstijl en het feit dat ze dagelijks schrijftijd nam. Ook dat ze schrijven afwisselde met andere artistieke bezigheden. Na de voordracht vertaalde ik, als oefening voor mezelf, een gedicht van haar naar het Engels. Het ging over mispels. Ze vond de vertaling goed. Ik zocht haar op na een lezing of op de boekenbeurs voor een praatje. Fijn hoe haar echtgenoot altijd voor haar klaarstond. Hun overlijden samen raakte me.
Een keer vertelde ik haar dat ik haar poëzie toegankelijk vond. Ze reageerde dat haar lezers dat vaak anders ervoeren. Ik vind dat een lezer niet alle lagen van een gedicht hoeft te begrijpen om ervan te kunnen genieten. Er mag een kloof zijn tussen wat de dichter schrijft en hoe de lezer het gedicht ervaart. De lezer haalt er uit waar hij op dat moment aan toe is. Zolang je als dichter maar de lezer kunt meenemen, zodat hij niet afhaakt.

Voor de brief kreeg je een prijs, hij deed mee in een brievenwedstrijd van het Letterenhuis. Wat doet zo’n beloning met je?
Toen ik de prijs won, heb ik aan de verantwoordelijke van het Letterenhuis gevraagd of ze de brief per post wilden opsturen aan Marleen. Haar enthousiaste reactie was mijn grootste beloning.

Tot eind 2023 ben je de Hoogstraatse stadsdichter. Waarom wilde je graag stadsdichter worden?
Ik ben geboren in Hoogstraten. Telkens als ik er kom, wijs ik mijn kinderen: ‘Kijk, daar stond het moederhuis waar ik geboren ben.’ En dan antwoorden ze: ‘Ja, mama dat heb je al duizend keer gezegd.’ Pas nu dringt het tot me door hoe bijzonder mijn jeugd was. De bossen waarin ik speelde leken me gewoontjes. Nu zijn ze Unesco Werelderfgoed.
Het stadsdichterschap biedt mogelijkheden die je anders niet kunt ervaren. Ik werk aan grotere projecten, met boeiende mensen en verschillende doelgroepen, op unieke locaties. Ik kan het resultaat van mijn ideeën tonen aan een publiek dat ik anders niet zou ontmoeten. Ik mag out of the box denken en krijg meer kansen om op te treden. Ook ontmoetingen met andere stadsdichters schept een band.

Kun je al een poëtisch project noemen dat je voor de stad gaat doen?
Tijdens Kom landlopen in Wortel Kolonie vroeg ik bezoekers of ik voor hen een gedicht mocht voordragen. Dat leidde tot inspirerende gesprekken. Binnenkort breng ik een poëtisch project in De Mosten, een natuurgebied met zwemvijver. Ik plan een activiteit in de gevangenis. Jong en oud wil ik samenbrengen via poëzie. Als jongeren gedichten voordragen die ouderen uit het hoofd kennen, O krinklende winklende waterding en Het is goed om ’s avonds voor het slapengaan, ja, dan kan er iets moois ontstaan, denk ik. Ik zal klimaatgedichten brengen en troost op kerkhoven. Ik werk mee aan een project dat poëzie en kunst samenbrengt in de openbare ruimte. De details houd ik nog even voor me, ik wil het verrassingseffect niet bederven.

Is het moeilijk om werk ‘te leveren’?
Soms is het moeilijk, ja. Zo kreeg ik een opdracht om een gedicht te schrijven over de laatste begijn. Vijftig jaar geleden verliet ze het begijnhof. Ik kreeg een dikke week de tijd om me in het thema te verdiepen en het gedicht te schrijven. Zoals ik al eerder zei, is de doorlooptijd van mijn gedichten vaak een paar maanden en dan is één week een uitdaging.

 

johanna
ode aan de laatste begijn in Hoogstraten

ik loop naar de weide, laat me vallen op de bleijk
de armen en benen wijd, sneeuwengel op een groene mat
zo wacht ik in de stilte. boven de eindeloze diepte
van de put van goed en kwaad zingen mezen ti-tu-ti-tu

johanna verzorgt de maria grot, de zieken, ze zingt
en bidt onder het alziende oog in de driehoek van
god ziet mij hier vloekt men niet. ze bereidt kolen
en appels uit de hof, eet al in de vroege nanoen

altijd is ze bezig. gehoorzaam. in de lege schaduw
van een strakgekapte haag zie ik hoe haar handen
het zongedroogde witte goed oprapen van het gras
waarop ik lig. of klossen ze een kanten altaardoek

johanna is vrij. zou ze ooit op blote voeten wat
hinkelen op de oude tegelvloer? wind strooit confetti
op de haag, voorbode van een overvloed aan peren
dankbaar weet ik: nergens wonen we liever – dan hier

Hoe moeilijk was het om in deze tijd te debuteren en wat betekent het voor je om dan eindelijk het product in handen te hebben?
Mijn eerste roman ging over een meisje in Roemenië dat opgroeide bij haar grootouders. Uitgevers hapten niet toe. Roemenen dragen de gevolgen van de onderdrukking door Ceaucesu. Ze staan anders in het leven. We kunnen ons niet goed inleven in hun referentiekader. Bovendien is Roemenië niet toeristisch en onbekend maakt onbemind.
Over de bundel over de wandeling in Italië, waarover ik eerder sprak, waren uitgevers enthousiast, maar niemand nam de handschoen op. Een uitgever had al een werk over Franciscus in zijn fonds. Twee bleek te veel. Ik schreef een fantasieverhaal en een prentenboek. Ik werk samen met een klimaatdichter, wiens naam ik nog niet onthul, aan een klimaatproject.
Een uitgever vinden zorgt voor stress en is tijdrovend. Keer op keer een negatief antwoord breekt je zelfvertrouwen. Ik begrijp dat een uitgever weinig risico wil nemen, maar daardoor krijgen debutanten weinig kansen.
Ik wilde een uitgever die in me gelooft, ofwel helemaal geen publicatie.
Het was het wachten waard. Ik bepaalde zelf de cover, de foto, de inhoud, de bladspiegel, de vormgeving en kreeg ondersteuning.
Dat mijn debuut later op de markt kwam dan gepland, werd veroorzaakt door de papierschaarste. er liggen twee holtes op je kussen is prachtig uitgegeven. Ik ben er trots op.

 

Geplaatst in Interviews.