Monique Bol – er liggen twee holtes op je kussen

De afdruk van de eeuwige indruk

door Ivan Sacharov




Er liggen twee holtes op je kussen, heet het debuut van Monique Bol. Een titel die iets ondeugends suggereert als we hem op een verbaasde manier uitspreken (het belang van intonatie is niet te ‘overschatten’). Het kan natuurlijk ook gewoon een mededeling zijn, of een uitdrukking van ergernis omdat je kussen niet goed is opgeschud. Het is zelfs mogelijk dat iemand je erop attent wil maken dat je hinkt op twee verschillende gedachten. Want hoewel gedachten op zichzelf weinig ruimte innemen hebben ze toch een (hersen)holte nodig om in plaats te vinden. En als er dan sprake is van twee holtes… Nu ja, twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen! Past dat niet heel goed bij dit gedicht waar het (duivelse) kaartspel als metafoor in gebruikt wordt:

kaartspel

we zijn een bont allegaartje
een kaartspel met twee jokers.
zoek mij in de kaartentoren

ik ben harten zeven

soms vorm ik een reeks met zevens
dan weer met harten
of in een stoere bui met niets dat past

soms klikt het, soms niet.
allen willen we
overeind blijven – vrij zijn

Een gedicht uit het tweede hoofdstuk van de bundel: vriendenzone (als we alle titels van de hoofdstukken achter elkaar zetten: ‘de onschuld’, ‘vriendenzone’, ‘het onvermijdelijke’, ‘de zwarte pagina’, ‘afwijzing’ en tenslotte: ‘na de nacht de dageraad’, tekent zich duidelijk een soort verhaallijn af). Voor iemand die nog ‘onschuldig’ is biedt een bont allegaartje van vrienden uiteraard goede kansen om die onschuld kwijt te raken. Zeker als er ook nog twee jokers tussen die vrienden zitten. Even dacht ik dat de ik-figuur één van die twee jokers was, maar dat (b)lijkt in dit gedicht dus toch niet zo te zijn. Ik heb de betekenis van harten zeven opgezocht op het internet. Het blijkt een kaart te zijn die aangeeft dat er een positieve verandering van omgeving te verwachten is op korte termijn. Tja, als dat de inborst van de ik-persoon weergeeft, neem ik maar aan dat ze open staat voor veranderingen (avontuurtjes?) en geneigd is dat als positief te ervaren. Maar wat voor betekenis een kaart als harten zeven heeft zal natuurlijk voornamelijk afhangen van het spel dat gespeeld wordt. Dat de ik-persoon duidelijk een voorkeur heeft voor zaken waarin romantiek een belangrijke rol speelt lijkt me evident (door haar kaart, maar ook door de rest van deze bundel). Verder vermoed ik dat enig opportunisme haar niet vreemd is (hoe kun je anders ‘spelen’).

Kan ik dat allemaal uit dit gedicht halen? Nou ja, misschien. Maar ik citeer dit gedicht niet alleen om het karakter van de schrijfster – van de ik-persoon, moet ik zeggen – en de sfeer van de bundel weer te geven. Er zit (een beetje) een paradox in deze regels. Tenminste, voor wie het zo wil zien. De laatste strofe vertelt dat ‘we allen overeind willen blijven’, en ‘vrij willen zijn’. Maar in een ‘kaartentoren’, waarin we allemaal kaarten zijn, lukt dat overeind blijven alleen door op elkaar te steunen. Wat blijft er dan van vrijheid over?
Een paradox geeft een gedicht bestaansrecht, als gedicht. Maar dat bestaansrecht hebben niet alle teksten in deze bundel. Een gedicht als ‘we willen wat’ (op bladzij 39), dat eindigt met de regels: ‘we willen geplukt worden, mals / als het vlees van onze bloem / bijten in sappige pruimen // maar vooral willen we / dansen in de regen, eindelijk weer // het hete lichaam blussen’, laat zich vooral lezen als een mening of mededeling. Daar kan ik kennis van nemen, maar het beweegt weinig tot niets in mij als lezer (ik kan hoogstens zeggen of ik het er mee eens ben, of niet). Als ‘echt gedicht’ lijkt me de volgende tekst veel meer geslaagd:

spiegel

in de spiegel met verroeste rand
kijkt een rijpe vrouw me aan.
nog net geen rimpels, denk ik vaag
terwijl ik naar haar zwaai

een jonge man, bloedmooi
spreekt me aan, ik tril
mijn benen week als pudding

of ik bid, vraagt hij.
ik lach, hij lijkt bloedserieus.
wat ik graag doe, vraagt hij.
wandelen, pizza eten.
hij kickt op een goed gesprek

maar het is niet aan mij
dat hij denkt

De eerste regel is een fraaie. De spiegel, die het spiegelbeeld is van de vrouw die erin kijkt, begint al een beetje oud te worden. De verroeste rand levert een verfijnde vorm van zelfspot op. Een zelfspot die misschien in de volgende regels van de eerste strofe iets te veel wordt aangedikt, maar die we toch allemaal kunnen begrijpen en die iets innemends heeft. Net als de zelf-bemoedigende zwaai aan het eind van de vierde regel. Bijna een gebaar van vaarwel! En de zelfspot gaat nog verder in de tweede strofe: ‘ik tril mijn benen week als pudding’, kan betekenen dat de ‘ik’ hevig gecharmeerd is van de bloedmooie jongeman, maar klinkt ook een beetje corpulent. ‘Of ik bid’, is in dit verband wel de kers op de taart. Alsof dat bidden enige verandering kan brengen in de hopeloze toestand waarin de vrouw zich – op de rand van rijp en overrijp zijn – bevindt! Natuurlijk wordt het niet zo bedoeld door de jongeman, die hoogstwaarschijnlijk alleen maar probeert de vrouw te bekeren. Een gedicht vol miscommunicatie – en een vleugje ironie: getuige dat ‘goede gesprek’, waarop de jongeman kickt – en daardoor juist een raak gedicht.

Het laatste gedicht van de bundel valt buiten genoemde hoofdstukken, en heeft een samenvattend karakter:

de man de zee

bij eb springen de bellen
het spatten vult je met verwondering
je wacht het water af

je haren zomaar los, een speelse blik
het begin van iets nieuws

schuim sist in een bocht in de baai
je ervaart de warmte in het zand

je surft op de golven, de wereld in je zak

wat niet gebeuren mag blijft zwart
als de nacht die nooit ontwaakt

afgedankt lig je op het zand, wrakhout
voor de jutter, voer voor de meeuwen

je afdruk in het natte zand vervaagt
van alles naar niets naar alles

Ik vind dit een mooi gedicht. Het is de schrijfster ten voeten uit. Romantisch (en hoe!) en mysterieus geeft het uitdrukking aan haar verlangen, en misschien aan hoe ze een man het liefste ziet. Het spatten van de bellen is als het openspringen van de ogenblikken van de tijd die de zee in héél veel poëzie is. Het schuim lijkt een metafoor voor de verleidelijke schoonheid van het leven (we hoeven alleen aan de geboorte van Aphrodite te denken). En dan is daar de erotiek van het warme zand en de golven, en tenslotte de laatste drie strofen die het meest persoonlijk zijn. De vijfde zelfs zéér. Wie wil weten waarom moet de bundel maar kopen. Ik citeer dit gedicht vooral vanwege de laatste regels, die iets raadselachtigs-universeels hebben. Want gaat het niet altijd zo? Iets is even, voor een ogenblik, alles voor ons, om daarna te verdwijnen en dan weer alles te worden in een herinnering! De afdruk in het zand (de holte op het kussen) moet even vervulling gevoeld hebben… Een metafysische wet.

Bovenstaande gedichten zijn exemplarisch. Waarbij de wisselende kwaliteit van de gedichten voor mij geen beletsel was om van de bundel te genieten. Monique Bol schrijft over het geheel genomen smakelijke, goed leesbare teksten met een bourgondische inslag, die laten zien hoe je van het leven kunt genieten en balen. En heel soms gedichten die je aan het denken zetten:

werkkamer

ik nestel me in zijn zitvlees, voel eiken
in zijn gearmde stoel, een cafémodel met historie

achter mij waken ruwe planken. ik aai de letters
van zijn naam op boekenruggen, proef
vaakgelipte zinnen op papier, kruipen wil ik

in zijn pen. buiten steekt een boerenzwaluw
de kop uit zijn metaalblauwe veren. hij richt
de blik op het landschap dat glooit

samen kijken we naar een boerderij in de verte
waar men vast wel een keer verleid wordt
tot een borrel met uitzicht

op het beroemde raam. ik klink, wacht
aan zijn tafel op een vers van mij

Ik vind dit een origineel gedicht. Nijhoff heeft ooit in een gedicht de werkkamer van de dichter Albert Verwey beschreven. En hoe hij het ervoer na diens dood daar te zijn. Maar hier gaat het om iets heel anders: de werkkamer wordt beschreven, maar dat levert geen mijmering op over de dood en de zin van het leven. Het is behalve een blijk van inleving in een bewonderd persoon (die misschien nog leeft) eerder een nieuw begin. De dichteres kan de verleiding niet weerstaan om haar eigen stem in de werkkamer te zoeken. Paradoxaal genoeg vindt ze die ook, juist door de andere kunstenaar enigszins na te volgen. Ja, hoe boeiend is het soms niet om het eigen werk met dat van een ander te vergelijken! En hier – in het perspectief van dit gedicht – komt dat eigen werk zelfs in het verlengde van het werk van die andere kunstenaar te liggen. Wat weer de vraag oproept of dezelfde prikkels tot een even goed resultaat kunnen leiden…
____

Monique Bol (2021). er liggen twee holtes op je kussen. C. de Vries-Brouwers, 88 blz. € 19,90. ISBN 9789061740858

Geplaatst in Recensies.