Deze seconde en de volgende

door Jan Loogman

 

Dichters schrijven graag over geluk. Daarom wilde ik in deze column daar ook eens over schrijven. Maar toen werd ik ziek. Het is niet ernstig, een flinke verkoudheid, maar over geluk schrijven wordt nu een zware opgave in plaats van een vrolijke uitdaging.

Toch sluit een gedicht van Rutger Kopland goed aan bij mijn huidige stemming. Daarin noemt hij geluk ‘een herinnering’ en meer kan het nu voor mij in mijn ellendige toestand niet zijn. ‘Omdat het geluk een herinnering is, bestaat het geluk omdat tevens het omgekeerde het geval is,’ zegt het gedicht. Met zijn melancholische toon en zijn ontbreken van vitaliteit doet het denken aan de beschrijving die Mark Boog in zijn gedicht Geluk geeft. Boog laat de mens het geluk in een vitrine plaatsen en er danig van onder de indruk zijn: ‘Zo mooi.’

Het gedicht van Mark Boog geeft niet de indruk dat er veel leven in geluk zit. Het wordt wel gelezen als een kritiek op een kleinburgerlijke geluksopvatting (zie Meander-klassiekers) en volgens die lezing kan de lezer eruit afleiden dat hij beter niet uit kan zijn op zulk netjes tentoongesteld geluk. Zo ziek en zielig als ik nu ben, zou ik zulk geluk niettemin wel aankunnen. Maar inderdaad, kan een mens gelukkig worden van zulk oude mensengeluk?

Co Woudsma heeft het al jaren geleden aangedurfd Geluksinstructies te schrijven. Deze doen tamelijk particulier aan. Bereid Saroma met bananensmaak’ luidt bijvoorbeeld één van de aanwijzingen. Saroma is een poeder waarmee je instantpudding kunt maken. Rond 1960 kwam het in Nederland op de markt en tegenwoordig zijn er op het internet recepten te vinden om Saromapudding of – yoghurt te maken ‘zoals grootmoeder dit deed.’ Eenvoudige recepten die sommigen toch nog te complex zijn; zij laten weten dat het zeker zo lekker is om je vinger in het poeder te dopen en daarna af te likken. ‘Een snoepje,’ zeggen ze erbij. Hoe dan ook, lijkt dit Saromageluk een bevestiging van Koplands regel over geluk als herinnering.

De dag voordat ik ziek en energieloos werd, keek ik tegen het einde van de middag in de pannen. De riblappen stonden te pruttelen in de jus die ik met donkere miso had aangemaakt; de aardappels waren bijna gaar, de zuurkool vroeg om afgieten. Buiten begon het te schemeren. Toen verscheen er een klein meisje op ons pleintje. Ze was gekleed in een witte jurk met op beide mouwen een rood kruis. Op haar hoofd droeg ze een wit kapje met eveneens een rood kruis erop. Onze blikken kruisten elkaar en ik liep naar de voordeur, opende hem en zei: ‘Fijn dat je er bent, dokter. Mijn pink is verstijfd.’ Ze rommelde in het tasje dat ik niet eerder had opgemerkt. Het was ook wit met een rood kruis erop. Een plastic spuit haalde ze eruit. Ik stak mijn hand uit en zij spoot water op mijn pink. We keken elkaar opnieuw aan en juichten samen: mijn pink deed het weer!

Geluk vraagt niet om zware beschouwingen en evenmin past het in een vitrine. ‘Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato / de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht’ zijn regels van Hans Andreus, die dichter bij de ervaring van geluk komen dan die van Kopland of Boog. Geluk is licht zoals in het gedicht van Bart Moeyaert dat precies die titel heeft: Licht. ‘Zoals jij het daglicht vangt. De lucht verplaatst / zodra je binnenkomt. De deur sluit en heel even / Mary Poppins bentzijn lichtvoetige woorden en even verderop in zijn gedicht schrijft Moeyaert zelfs: ‘De goede / kant op is jouw tweede naam en ’s avonds moet / een dag niet herbeginnen. Het is niet nodig de herinnering aan dit licht stil te zetten, lees ik in deze laatste woorden en het vervolg lijkt die lezing te bevestigen want ‘Elke seconde tikt / de volgende aan.’

 

afbeeldingen (c) Pixabay op die van Saroma na: Plus Online.

Geplaatst in Column.