Interview Marijke Hanegraaf

‘In de emoties van het volle leven kan ik niet dichten’

door Cora de Vos

foto © Ineke Janssen


Marijke Hanegraaf
(Tilburg 1946) schreef liedjes, science fiction-verhalen en kinderverhalen. Rond haar 45e jaar begon ze serieus met gedichten schrijven, nadat ze afgestudeerd was aan schrijversvakschool het Colofon. Weloverwogen en gerijpte poëzie, noemt Uitgeverij De Arbeiderspers haar gedichten bij de uitgave van haar debuut Veerstraat in 2001. Strak gecomponeerd, de beelden soepel en de formuleringen trefzeker. De bundel werd genomineerd voor de C.Buddingh’prijs.
Na haar debuut Veerstraat, volgden vier andere dichtbundels bij Uitgeverij De Arbeiderspers: Proefsteen, Restruimte, Ergens slapen de anderen en dit jaar Bestaansbegeerte.


Bestaansbegeerte, wat een prachtig woord, een vondst. Weet je het moment nog waarop je dit woord voor het eerst gebruikte?
Het woord ontstond rond de tijd dat ik het eerste deel van het gedicht Bestaansbegeerte schreef. Ik begon eraan in 2019. Ik was en ben nieuwsgierig naar het ontstaan en de drang van alle leven om voort te bestaan. Toen ik de Ethica van Spinoza las viel er iets op zijn plek. Hij gebruikt het woord begeerte. Bij dat woord kun je denken aan seksuele begeerte, maar Spinoza ziet het veel breder, het is de drift om er te willen zijn en blijven. Begeerte om te bestaan. Bestaansbegeerte. Zo ongeveer is dat woord ontstaan.

Volgens de achterplattekst van Bestaansbegeerte is deze vijfde bundel de eerste waarin je je concentreert op het raadsel van de identiteit. Heb je tijdens het schrijven en selecteren van de gedichten dat raadsel enigszins opgelost?
Ook in mijn vorige bundel Ergens slapen de anderen, kwam al een cluster gedichten voor over identiteit, maar het klopt dat dit de eerste bundel is die ik geheel in dat licht probeerde te zien, en waarop ik de gedichten heb gekozen, of erop aangepast. Ik ben overigens niet zo aan het zoeken naar identiteit, ik bezie het niet als een raadsel, maar onderzoek en bekijk er steeds andere aspecten van.
En wat is identiteit? Als ik er met vrienden over praat dan waaieren de ideeën erover nogal uit, van iets als een kleine kern tot alles wat je maakt tot wie je bent, met alle invloeden van de buitenwereld erbij.
Om te beginnen met dat laatste. De tweede paragraaf van mijn bundel, De ruwe adem, bevat gedichten over, zoals ik dat noem, randidentiteiten. Situaties waarin je niet helemaal jezelf kunt zijn, zoals een vluchteling, of situaties waarin je niet helemaal gezien wordt zoals je bent, zoals in het gedicht Tot in de verste vezels. Dan begrijp je eigenlijk al dat je identiteit ook gemaakt wordt door je omstandigheden.
Daar tegenover staat het laatste gedicht van de hele dichtbundel In de neerslag de mensen. Ik beschrijf daarin een situatie waarin ik samenval met mezelf, zo voelt het, buiten de omstandigheden. En wie ben ik dan? Er is in mij een kleine kern, los van ballast, die altijd hetzelfde lijkt, wat de omstandigheden ook zijn. De omstandigheden kunnen zelfs verre van perfect zijn, zo is mijn ervaring gedurende mijn leven. Wellicht ervaren veel mensen dat ook in hun leven, dat je soms helemaal gelukkig bent met wie je bent.
En ik vond nog een andere manier om naar identiteit te kijken: hoe je je van jezelf bewust bent, dat ben je, dat is ook je identiteit.
Daarmee leg ik de verbinding met het grote gedicht Bestaansbegeerte: ‘Wanneer meent het iemand te zijn?’ en eveneens met het gedicht Of ik het zelf ben, in de tweede afdeling.

In de neerslag de mensen

Regen in de zevende maand. Achter de sluier
ligt helder en ernstig het boerenland, het houdt
zich stil onder de vallende druppels. Vlagen
ontfermen zich over de geuren, vieren het ruisen.

Bij een bank tussen twee linden stap ik af
en laat me daar zitten in het hart van de velden

langs de smalle weg met de druipende essen
buiten het lawaai van woorden en handen die slechts
de dingen naar de dingen brengen.

Zie me verpakt in mijn regen. Uit de verte van het hart
nadert een fietser met vredige slagen, blijkt
een doorweekte jongen. Over de weg suizen de banden.

Ik in de doorweekte jongen, hij in de rustende vrouw
groeten we in de neerslag de mensen.

Voor de tevredene bruisen de buien. Voor de gelukkige
richt het gewas zich op. Van de linden druizelt het op me
strekt zich naar me uit met de vingertoppen van de neerslag:

Verlost van strijd en schijn te beminnen
tussen de velden van klimmende jaren.

Ik laat me nog zitten. Kon ik het land zijn
met de kleine verschuivingen van het worden.
Op de akker staat de mais op zijn tenen en glundert.

Stations en vertrekhallen spelen al een rol in je eerste bundel Veerstraat (2001). In je recente bundel Bestaansbegeerte maak je een reis naar je dochter in Nieuw-Zeeland. Wat heb je met plaatsen van aankomst en vertrek: helpt de anonimiteit van deze plekken om je identiteit te bepalen, opnieuw te ontdekken?
Het eerste gedicht speelt zich af in een aankomsthal. Na zes jaar zou ik mijn dochter weer zien, ik was rustig en gelukkig. Toen alles misliep met paspoort en uitstapkaart kwamen er, zacht gezegd, andere aspecten van mijn identiteit naar boven, ik werd nerveus en chaotisch, maakte me zorgen om mijn dochter die zich zou gaan afvragen waar ik bleef. Reacties die ik ken en herken. De aankomsthal was de plaats waar ze aan bod kwamen.

In je gedichten zie je jezelf veelal als een buitenstaander, een vreemde. Aandachtig kijken is jouw specialiteit. Bekijk je de wereld vooral als iemand die aan de zijkant observeert, kun je alleen op die plek aandachtig kijken?
Al ben ik wel een bedachtzaam iemand, ik beleef de dingen heel intens, zeker niet als een buitenstaander, en ik ben niet iemand die voortdurend gadeslaat. Maar in de emoties van het volle leven kan ik niet dichten. Om te kunnen dichten moet ik wachten tot de emoties uitgedenderd zijn. Als voorbeeld de eerder genoemde cyclus over mijn bezoek aan mijn dochter en schoonzoon in Nieuw Zeeland. De hele periode dat ik daar was heb ik geen gedicht kunnen schrijven. Pas toen ik weer een paar maanden thuis was, begon het schrijven. En toen ook in één ruk door.

Beurtzang

.                                                                 Wairarapa, Carterton

Met je rug naar het raam waar ik door naar buiten keek
over de tuin naar de bergen, dichtbij maar kwellend ongrijpbaar

zat je omhuld door je werk, dat concreet is, een afspraak een afspraak
geen ruis. Afwezig in het overige scrolde je door berichten

die de wereld omzeilden, zonder poeha gaf je antwoord
op verre signalen, hield als een paperclip je gedachten bijeen.

Ik ken je vanbuiten, je hangt in mijn kamers. Terwijl ik het dier aaide
wachtte ik tot je dag in de mijne viel, smeerde alvast brood voor straks.

Ik mocht je account gebruiken, de tijd instellen en kiezen uit opties.
Ik mocht weggaan op een goed moment. Je gaf me je arm in het donker.

Moet je eigenlijk wel steeds opnieuw jezelf willen uitvinden, is het niet voldoende om tijdens de adolescentie met vallen en opstaan op zoek te gaan naar je identiteit en het daarbij te houden?
Bijzonder dat je de adolescentie noemt als de periode waarin je op zoek gaat naar je identiteit. Eerlijk gezegd zie ik dat anders. De bron van mijn identiteit ligt veeleer in mijn kindertijd. De adolescentie voelde aan als de periode waarin ik leerde omgaan met het leven, me te handhaven, soms zelfs ten koste van wie ik meende te zijn. Aan mezelf voorbijgaan; dat gebeurde nogal eens in die periode. Nee, je hoeft jezelf niet steeds opnieuw uit te vinden. Maar in nieuwe omstandigheden kom je misschien weer een andere kant van jezelf tegen waarmee je wilt leren omgaan.

In hoeverre is je dichterschap bepalend voor je identiteit? Ik las over een zangeres die haar stem kwijt was en vond dat ze daarmee een deel van haar identiteit was kwijtgeraakt. Stel dat je geen gedichten meer zou schrijven, geen ‘dichtersstem’ meer zou hebben, zou je dan een deel van je identiteit verliezen?
Ik ben verknocht aan het dichten, het is pure rijkdom om ermee bezig te zijn, het geeft me een extra stem en brengt me nieuwe inzichten, en dat mensen mijn gedichten waarderen vind ik fijn, kortom: als dichten zou wegvallen uit mijn leven zou ik dat een groot verlies vinden. Ik zou me daar zeer aan moeten aanpassen.
Maar persoonlijk denk ik dat er altijd een kern is die je behoudt, wat de omstandigheden ook zijn.

Je was gedurende twee jaar, in 2013 en 2014, stadsdichter van Nijmegen. Heb je je als stadsdichter moeten aanpassen aan je publiek? En hoe ervaar je het contact met de lezers van een bundel ten opzichte van het contact dat je had als stadsdichter?
Als stadsdichter was ik meer tussen het publiek dan als papieren dichter. Ik had vaker optredens. Dat ik me moest aanpassen aan het publiek heb ik niet zo ervaren. Het was wel zo, doordat ik voor het publiek de stadsdichter was, dat ik vanzelf een autoriteit werd. Dat was voor mij een bijzondere ervaring. Volgens mij heeft het stadsdichterschap me meer gezicht gegeven dan al mijn vijf bundels.

Meander Magazine heeft de bundel Bestaansbegeerte positief besproken. Kunnen recensies je nog verrassen? Hebben deze invloed op hoe jij je voelt, bepalen ze je dag?
Bij mijn eerste bundel kon ik nog wel dagenlang van slag zijn. Inmiddels bepalen recensies niet meer heel lang mijn gemoed. Maar ik kan niet zeggen dat recensies me niets doen. Een positieve bespreking heeft een positieve uitwerking, het is een erkenning, maakt me voor een poosje blij. Bij een negatieve recensie denk ik een tijdje door, wat precies vindt men niet goed, en ben ik het daarmee eens?

Helpen positieve recensies om gemotiveerd aan een zesde bundel te beginnen? En, daaruit voortvloeiend, wat wil je nog bereiken, wat wil je nog graag schrijven?
Je hebt ongetwijfeld gemerkt dat ik niet een heel snelle schrijver ben, eens in de zes jaar of zo een keertje een bundel. Momenteel maak ik af en toe een gedicht en de onderwerpen zijn divers. Precies zo ging het met de bundel Bestaansbegeerte. Er lag een handjevol gedichten zonder richting toen ik de Nieuwzeelandgedichten schreef en vervolgens de gedichten Bestaansbegeerte. Pas met dat in de hand kwam bij mij het idee op dat ik zou kunnen aansturen op een bundel over identiteit. Zo is het ook nu: op dit moment tekent zich nog geen richting af waarheen ik zou willen gaan.

Wat wordt

Je bent teruggekeerd naar mij, wandelt met me door het bos
maakt me blij. Over de ruiterpaden en rechtgetrokken lanen

het overvloedig blad, je speurt de bodem af, ik volg het pad
met tekens op de bomen. De herfst valt in jouw kleuren.

We zwijgen en in het zwijgen spreken we, we zijn gekomen, alle twee
om wij en jij en ik te zijn en dat te mogen.

Nooit was er een gebed dat aansloeg in een kerk, nooit
tussen de gelovigen. Maar hier. Dit klotebos, vernacheld en verpest

is mij zo rijk. Er is dit seizoen met het gazen blad
er is iets dat neuriet tussen ons en schemert tussen de stammen.

De drie hier opgenomen gedichten komen uit de bundel Bestaansbegeerte.

Geplaatst in Interviews.