Judith Herzberg – Sneller langzaam

Hernemen biedt doorzicht en ruimte

door Johan Reijmerink




Hoewel de titel van de nieuwe bundel Sneller langzaam (2022) van Judith Herzberg niet alleen erop wijst dat zij zich gedwongen wist te verlangzamen door de coronacrisis, is het wellicht ook een titel die wat eerder uit de pen van een zevenentachtigjarige komt dan uit die van een jongere dichter. Een andere vraag is hoe dicht je nog op de tijd kunt leven als je al zo’n hoge leeftijd hebt bereikt. Als ik bij eerste lezing haar bundel doorloop, denk ik dat Herzberg nog altijd de souplesse in levenshouding en taalbeheersing heeft om de tijdgeest aan te tippen. Ze lijkt me in voldoende mate uitgerust met ironie, bevreemding en speelse vrolijkheid om haar dichterlijke observaties te doen.

Voor ons ligt een bundel met ruim dertig overwegend korte gedichten. Herzberg was en is toch vooral een dichter van de kortebaan: in weinig woorden maximale zeggingskracht leggen. Daarnaast is ze een dichter die de tegenspraak omarmt en daarin tegelijk een zekere terughoudendheid tentoonspreidt. In filosofische zin is ze voor mij een dichter die de idee van de deconstructie, zoals Jacques Derrida dat voorstaat, fraai toepast in deze bundel. Het voortdurend hernemen en opnieuw bekijken, tegen het licht houden, anders bezien, dat is wat zij dikwijls doet. Neem het eerste gedicht ‘Maar’. Het is een rake karakterschets van de werkwijze van deze dichter:

van nature
nogal tegen
tegen
maar

dit geval
is anders
echt heel
anders
maar
kan een quarantaine
wennen maar

verre verten
blijven trekken
(…)
dreigt
gevaar alom
dat weet je
maar

heb al bijna
een heel jaar
niet meer
mogen maar ja
maar

aldoor blijven
waar je bent
echt niet overdrijven
maar

Dit gedicht is tegelijk een goed voorbeeld van wat in wezen een dilemma tekent. Is Herzberg niet bij uitstek de dichter die vanuit haar voorgeschiedenis besef daarvan heeft? Een dilemma is pas echt een dilemma als er geen oplossing bereikt kan worden. Je moet kiezen uit twee kwaden. Je kunt er mogelijk mee leven, niet alleen door in- en doorzicht te verkrijgen in een probleem, maar ook door erachter te kijken en te zorgen voor een evenwicht in de omgang ermee. Hoe dan ook moet het resultaat van een gesprek erover zijn dat je een uitweg wordt geboden. In bovenstaand gedicht adviseert de dichter ons een sur place: ‘altijd blijven / waar je bent / echt niet overdrijven / maar.’

Herzberg borduurt in deze bundel op dit stramien verder door. Hoe betrekkelijk is ‘mooi’ als op het einde ‘het lelijkste het mooist’ als mooi werd beschouwd door de toeschouwers? De coronaperiode heeft ons bewust gemaakt van zaken waarvan we ons voor die tijd amper bewust waren. Dat ‘nooit aan gedacht’ denken uit die periode is verbijsterend als we bedenken hoezeer ons ‘geurboeket’ buitenlucht is bezwangerd geraakt door liters kerosine. We slepen een vracht aan ‘nooit aan gedacht’ gedachtes met ons mee. Telkens bevraagt Herzberg ons op ons doen en denken. Is het eigenlijk wel zo wenselijk om ‘een man, een man, een woord, een woord’ te zijn? Hoe wenselijk is dat je je aan je woord houdt? Het gedicht ‘Een man, een man’ staat vol onuitgesproken gedachtes: ‘dat je bijvoorbeeld / vindt dat elke / vluchteling maar / niet weet hoe’.

Of de Engelse dichter Philip Larkin wel dan niet in staat en bereid was van zijn gebreide konijn te houden, zoals op een bijgevoegde foto is te zien, werpt opnieuw de vraag op naar de mogelijkheid van de dichter zelf én van ons inzicht te verkrijgen in zijn en onze innerlijke beweegredenen om te doen en te laten wat wij doen. Het gedicht ‘De ode aan de opstapper’ is zo’n ironische tekst over de busverbinding rondom de grachtengordel van Amsterdam, tot groot genoegen van de oudere mens. Die verbinding dreigde opgeheven te worden: ’Privatiseren zit ook al in de pen. / Waar blijft die vriendelijkheid dan / en dat snelle doeltreffende doorsnijden / van routes op ijzeren rails? // Amsterdam red je / verzet je / weet je te weren!’ Deze laatste oproep nadert een expliciet uitgesproken politiek-maatschappelijke betrokkenheid. Het is de vraag in hoeverre een dichter zich daarmee moet inlaten.

Waarom zou je de dingen niet makkelijker doen als het je zo moeilijk wordt gemaakt? Dekens vervangen op je bed gaat zo vele malen sneller en gemakkelijker dan dekbedden in hoesovertrekken te wringen, ‘terwijl wat korter kan / toch korter moet.’ Gêne over ‘vrijblijvend / rijm’ en ‘hoge woorden’ dringen onvrijheid op aan de dichter en brengen de verstaanbaarheid van gedichten in gevaar. Dat is een vorm van onvrijheid. Dat alles vindt plaats onder een geestesgesteldheid van een ‘overhaaste hartslag’ die de ik ‘laksheid’ verwijt. De tijdgeest overvraagt ons, aldus de dichter. Zoals ook ‘het met-zijn-allen’ gewoon zijn verdwenen is door de anonimiserende komst van de telefoon: ‘ergens heen, een voor een / wie nu komt zegt “gezellig” / in zijn telefoon.’

‘If equal affection cannot be / let the more loving one be me’: als gelijke genegenheid er niet kan zijn, laat me dan de meer liefhebbende zijn, aldus W.H. Auden. Aan wie kent de hij deze kwalificatie toe? De ‘less loving one’. En is dat wel meetbaar? Mag je prat gaan op zo’n uitspraak en houding? De uitspraken van Auden omsluiten een gesprekje dat zich via de iphone lijkt af te spelen over wat zich niet gemakkelijk laat vergelijken.

De dichter komt zelf ook af en toe in beeld, zoals in de ‘Vergeetster’. Het komt erop neer dat je ‘tenminste ondergronds / de weg [nog] te wurmen weet / door mijn poreuze brein.’ Er is verder het absurde gesprek tussen twee jongemannen die elkaar nooit ontmoeten waarin op elke vraag die gesteld wordt, een antwoord volgt dat onleefbaar of onuitvoerbaar is. Het draait in essentie om het verkrijgen van stilte bij persoon A: ‘(…) ik wil alleen wat stilte.’ De een verwijt uiteindelijk de ander dat hij stilte opzoekt: ‘B: Ach man waar is je dynamiek./ A: En van het fluiten van de vogels – / B: Je moet meegaan met je tijd. / A: Kon stilte maar op tegen jouw / zekerheid jouw luid / sprekers jouw uitroep tekens.’

Een goed voorbeeld van het ‘sneller langzaam’ is te lezen in het gedicht ‘Doek”:

Dat schilderij
ik had er lang
naar willen kijken
bijna of ik het zelf
geschilderd had
in willen lijven.

Ze hebben er een lijst
omheen gedaan mij
was het liever zonder
maar, zeiden zij
zo kan het langer blijven.

Het over een langere periode willen beschouwen van het schilderij vindt zijn bekroning in het omlijsten daarvan, opdat het eindeloos bekeken kan worden als men er zich de tijd voor gunt.

Het spelen met levenssnelheden komt eveneens subtiel te uitdrukking ‘In het rijk der rijken’, waarin het gaat om een klant in een restaurant die in het blikveld van een ober komt te zitten. Hun blikken kruisen elkaar. De spanning die dat bij de ik oproept, zet hem ertoe aan ‘te blijven’, omdat hij ‘niet meer / weg [durft] te gaan.’ De scène brengt een innerlijk vertraging in gang die in het moment van blikwisseling voor even de tijd lijkt te verlangzamen.

Het gedicht ‘Menens’, eerder in 1976 gepubliceerd, naar aanleiding van de stadsguerilla-aanslagen in Europese steden en de angst die daaruit voorkwam, is nog altijd actueel: ‘We weten toch wel / dat nu ieder van ons / aan het front ligt.’ Die herinnering wekt nog altijd de waarschuwing aan de Staat op: ‘beschouw / mij dan niet als burger, / als vrouw, beschouw me / dan als soldaat.’ Uit deze woorden spreekt nog altijd verlammende angst en waakzaamheid.

Als je weet hebt van het verschil, ontroert in het gedicht ‘Leve het verschil’ ‘een opperhoofd dat zonder / stemverheffing geen zekerheid / belooft maar zegt dat hij zich / vergewist, gelooft in uitgeplozen / deskundigheid, zich nog vergist / misschien dat zal dan later blijken.’ Ontwaren we hier een schim van onze grote leider Rutte in coronatijd? Dat leiding geven aan onvoorziene omstandigheden gaat in andere tijden en landen wel anders toe: ‘Het commanderen / is [hier] al afgeleerd, ook / op commando’s reageren./ Beperkingen ons opgelegd / zijn goed bedoeld. ‘(…) Met opzet martelen bestond / bestaat nog steeds. En niet / alleen in kwade landen.’ De bofkont, zoals de dichter zichzelf hier noemt, die dit schrijft, blijft dit alles bespaard: ‘Proberen te genezen / is hier en nu / in vriendelijke handen.’ En zo prijst de ik, de dichter zich gelukkig in dit gave land te wonen en te werken. Een land vol onopgeloste dilemma’s waarvoor maar geen begin van een oplossing in zicht is. Toch biedt volgens haar hernemen doorzicht en ruimte.

Soms zat het woordenspel me in de weg, maar overwegend werd ik weer verrast door de zeggingskracht van de grand old lady van de Nederlandse poëzie.
____

Judith Herzberg (2022). Sneller langzaam. De Harmonie, 48 blz. € 20,00. ISBN 9789463361422

Geplaatst in Recensies.