Rob van Essen – Alleen de warme dagen waren echt

Absurd alledaags

door Douwe Wilts




‘Elke overeenkomst met zijn romans en verhalenbundels berust op toeval (…)’, zo lees ik in de flaptekst van Alleen de warme dagen waren echt, het poëziedebuut van Rob van Essen. Het is wat dat betreft een bundel vol toevalligheden. Zowel in stijl als in onderwerpen zijn er sterke overeenkomsten tussen zijn poëzie en bijvoorbeeld zijn meest recente roman Miniapolis. En ik zou verder willen gaan. Met Alleen de warme dagen waren echt heeft Van Essen zijn eigen stijl, die hij al in zijn proza bezigde, haast tot in de perfectie doorontwikkeld. Een sterk voorbeeld, zowel qua stijl als qua onderwerpkeuze, vind ik het gedicht ‘Op een winterdag in het Dudenpark’ (pagina 9). Ik zal het hieronder volledig citeren.

Op een winterdag in het Dudenpark

onder de Boom der Wijzen maakte ik een foto van L.
een passant vroeg of ik wist wat voor boom het was

nee, zei ik

het is de Boom der Wijzen, zei de passant

ach, zei ik, eigenlijk had ik dus zo moeten beginnen:

onder een boom waarvan ik de naam niet wist
maakte ik een foto van L.

ja, zei de passant, dat was inderdaad beter geweest
daarna liep hij door

voor de zekerheid maakte ik nog een foto van L.
nu wel degelijk onder de Boom der Wijzen

Wat wij hier zien lijkt op het eerste gezicht een vrij alledaagse scène te zijn. Twee mensen lopen op een winterse dag in het park en de één (de ik in dit gedicht) maakt onder een mooie boom een foto van de ander (L. in dit gedicht). Tot zover is er niets aan de hand. Ik denk haast dat we allemaal weleens onder een mooie boom in een park een portretfoto hebben gemaakt.

Dan komt er een passant in beeld. Die begint zich nadrukkelijk met de scéne te bemoeien. Of de ik weet wat voor boom het is. De ik in dit gedicht antwoord ontkennend. Daarop zegt de passant dat het de Boom der Wijzen is. Dan wordt het pas echt absurd, want de ik zegt: ‘eigenlijk had ik dus zo moeten beginnen: / / onder een boom waarvan ik de naam niet wist / maakte ik een foto van L.’ Op die manier ontstaat er een paradox die mij onmiddellijk aan het denken zet. De ik begint dit gedicht immers door te stellen dat hij onder de Boom der Wijzen een foto maakte van L. Dat suggereert dat hij ervan op de hoogte was dat het om de Boom der Wijzen ging. Dat beeld wordt versterkt op het moment dat de ik even verderop zegt dat hij (het gedicht) op een andere manier had moeten beginnen, namelijk door te stellen dat hij een foto maakte van L. onder een boom waarvan hij de naam niet wist. De ik weet hier dat het om de Boom der Wijzen gaat nog voordat hij weet dat het om de Boom der Wijzen gaat.

Nadat de ik zijn fout heeft recht gezet loopt de passant door. Daarna maakt de ik nog een foto van L. Hij is er door de passant op gewezen dat het om de Boom der Wijzen gaat en weet nu dus zeker onder welke boom hij een foto van L. maakt.

Een ander sterk gedicht vind ik ‘Kamer 346’. Het staat op pagina 26. De eerste drie regels van dat gedicht luiden als volgt: ‘het sneeuwt het valt in grote vlokken langs het raam / de verwarming doet het niet het schijnt dat alle vlokken / van elkaar verschillen maar ik zie het niet’. Op de een of de andere manier is het zicht van de ik in dit gedicht vertroebeld. Natuurlijk is daar de sneeuw die in grote vlokken langs het raam valt; de vlokken ontnemen hem het zicht op wat er achter de vlokken gebeurt. Het houdt echter niet op bij een vertroebelde blik op de wereld zoals de ik die om zich heen ziet; ook de blik op zijn binnenwereld is vertroebeld. Na deze eerste drie regels van de eerste strofe hoort de ik in de vierde regel kinderen zingen, al weet hij niet precies waar ze zijn.

De eerste drie regels van de tweede strofe luiden: ‘de sneeuw van vroeger zag er anders uit / we stonden in andere kamers voor andere ramen / en we keken samen naar het uitzicht’. In deze tweede strofe is er dus ook een ander in het spel, met wie de ik in andere kamers voor andere ramen staat, met wie de ik samen naar het uitzicht kijkt. Terug op de kamer uit de eerste strofe hoort hij de kinderen zingen: ‘één oog is geen oog / twee oog is een half oog’. De kinderen bevestigen daarmee het gevoel van de ik dat hij het niet meer goed ziet.

In de derde strofe wordt het langzaam donker. De tweede en derde regel van de derde strofe klinken als volgt: ‘Ik wou dat ik wist waar je was / ik wou dat ik wist hoe de verwarming werkte’. Onmiddellijk werpt Van Essen daarmee de vraag op wie er nu eigenlijk gemist wordt. Is dat het kind in de ik, is er sprake van een verbroken liefdesrelatie of is het een combinatie van die factoren. Het laatste lijkt mij het meest aannemelijk.

In de vijfde strofe belt de ik naar beneden om te melden dat het koud op zijn kamer is. In de tweede en derde regel van de zesde strofe geeft de receptionist antwoord: ‘ik weet niet hoe het boven is / maar hier is het nu winter’.

‘Hier is het nu winter’. Laat dat nou net de titel zijn van het gedicht dat op pagina 33 staat. Ik zal het hieronder volledig citeren en ga daarna in op de verbanden met het gedicht ‘Kamer 346’.

Hier is het nu winter

ik begin langzaam te vergeten wat je zei
ik heb het opgeschreven maar ik kan het niet meer vinden
ik zoek ook niet zo hard als ik gedaan zou hebben
als ik er nog in geloofde; en bovendien
je sprak alleen maar in citaten

de ijskast kan ik alleen nog maar ontdooien
door het huis in brand te steken
je hebt geen idee hoe koud het hier nu is

Net als in ‘Kamer 346’ lijkt het erop dat er in ‘Hier is het nu winter’ iets voorbij is. Een geliefde, vermoedelijk dezelfde als in ‘Kamer 346’ is uit beeld verdwenen. De ik begint langzaam te vergeten wat de ander zei en zoekt niet meer zo hard naar haar woorden nu hij er zelf niet meer in gelooft.

Dat geloof lijkt er wel te zijn geweest, zeker als we de tussenliggende gedichten in ogenschouw nemen. De eerste strofe van het gedicht ‘Deze episode’ (pagina 27) luidt bijvoorbeeld als volgt: ‘toen we die eerste nacht de kamer bij de spoorbrug binnenkwamen / pelden we elkaar voorzichtig de kleren van het lijf / naakt waren wij veel mooier dan we ooit hadden gedacht’.

Dat vertrouwen lijkt langzaam af te brokkelen. Dat uit zich bijvoorbeeld in de zesde en zevende strofe van ‘Vae victis’ (pagina 30): ‘zij zei eerst hadden wij aan elkaar van alles te ontdekken / nu hebben wij aan elkaar van alles te veranderen / / ik zei dat is zoals het gaat / zij zei het gaat niet goed genoeg’.

Die wonderschone naaktheid uit de eerste strofe van ‘Deze episode’ heeft zijn verassingselement en daarmee zijn werking verloren. Dat de ik voelt dat de relatie op zijn einde loopt, zien we in ‘De twist’ (pagina 32), waarvan de eerste strofe luidt: ‘kom pak mijn hand dit is ons afscheid en ik weet de weg / maar mag ik dan nog deze dans van u’. Vooral het gebruik van het woord ‘u’ roept de onderlinge distantie op die in de loop der tijd is ontstaan.

En het lijkt haast alsof de partner er nooit werkelijk is geweest; zij sprak immers alleen maar in citaten.

De ijskast kan alleen nog ontdooien door het huis in brand te steken. De relatie met de ander, de relatie met zijn innerlijke kind is ernstig bekoeld geraakt. Toch brandt er nog ergens een lamp van hoop.

Het absurde en het alledaagse, de melancholie en de rouw, het verlies van een geliefde en het verlies van het innerlijke kind: deze bundel weet het allemaal met elkaar te verbinden. En terwijl ik de gedichten op mij in laat werken, hoor ik mijn innerlijke kind van vreugde zingen.

Gelukkig heeft het kind in Van Essen ook gezongen; en dat heeft een schitterend debuut opgeleverd van een reeds lang gerijpte dichter.

____

Rob van Essen (2022). Alleen de warme dagen waren echt. Uitgeverij Atlas Contact, 64 blz. € 19,99. ISBN 9789025473655

Geplaatst in Recensies.