Wat Maakt Een Gedicht Goed? (71)

door Hans F. Marijnissen

 

Een goed gedicht lokt me naar binnen. Een verrassend beeld, een onverwacht woord, een vragen oproepende combinatie, een voelbaar ritme en binnen enkele zinnen neem ik de tijd om verder te lezen en te herlezen. Wat gebeurt hier nu weer? Wat mooi, dat dit ook kan!

Dat begon eind jaren zestig bij de confrontatie (zo ervoer ik het) met het werk van Hugo Claus, (De Oostakkerse gedichten) wiens zinnen als wortels door de Vlaamse taal kropen, zintuiglijk, erotisch, lichamelijk. En toen nog Lucebert eroverheen, al die beelden, die geschilderde taal: ik was verkocht voor de poëzie. Gerrit Kouwenaar: ik moest en zou dit doorgronden, ik wilde deze taal binnen mijn bereik graaien. Ik leende bundels van schoolvrienden en kopieerde hun werk en van vele volgende dichters in schoolschriften. Wat was het geheim, hoe deden zij dit?

Een goed gedicht schept een eigen wereld met woorden en zinnen. Alsof je een vreemde taal leert door te luisteren en lezen en op te zoeken. Een wereld met eigen wetten, poëtica, beeldspraak, die eisen stelt aan toehoorder en lezer: de dichter heeft er serieus werk van gemaakt en verdient daarmee onze aandacht en ons genieten. De dichter spreekt vertrouwelijk tot ons, wij nemen de moeite om hem te leren kennen en worden beloond.

Neem nou de bundel ‘Crow. From the Life and Songs of the Crow’ van Ted Hughes uit 1972. Een overdonderend geheel van liedteksten, hermetische dichtkunst, persoonlijke poëtische waarnemingen – een heel spectrum van wat met taal mogelijk is, door een grootmeester. Of onlangs nog het werk van Anne Carson – wat een eruditie, wat een complexe en ongrijpbare taalmuziek. Ik blijf ernaar terugkeren als een stamgast naar mijn persoonlijke buurtcafé.

Ik blijf lezen, meer dan 55 jaar. Dat kan poëzie.

 

Hans F. Marijnissen is dichter en bezielende kracht achter de Poëzieclub Eindhoven.

foto (c) Alja Spaan, de hand van de kleine, 2001

Geplaatst in Column.