Wat Maakt Een Gedicht Goed? (73)

door Katelijne Brouwer

Cadans en een raadsel. Iets van een toverspreuk.

In een goed gedicht staan de woorden precies op hun plek van je Slinger Singer naaimasjien. Het kan niet anders dan dat de heren elkaar vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx ontmoeten, juist daar en nergens anders. Een goed gedicht is onontkoombaar met een logica die ver voorbij de logica van de rede gaat. Daarom is poëzie superieur aan proza.

Een goed gedicht laat je kijken, voelen, horen, proeven en ruiken tegelijk. Slauerhoff schreef het al: Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Thuiskomen en wonen. De raamposter van dit gedicht van Kees Spiering hangt bij ons. Het eindigt zo:

Alsof je dit al kende
voor je het zag. Er geweest was
voor je er zou komen.

Zo thuis

Geen speld tussen te krijgen. Cadans, raadsel, toverspreuk en ontroering. In dit gedicht bezingt Hans Andreus de onmogelijke paradox van liefde en heimwee. Het raakt me na al die jaren nog steeds.

Ik heb je liever

Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet

Ik heb je liever dan vrolijkheid of regen,
liever dan de stilte van drie uur
in de rustig in- en uitademende nacht.

De meeuwen scheren overdag met hun vleugels
langs de blonde warme lucht.
De wilde bloemen staan te lachen
in het warme bad van de zon.
De zon danst zijn toch maar kleine rol
met zoveel overgave dat het heel
stil wordt, hier, in dit deel van het heelal.

Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet.
Liever dan vrolijkheid of regen,
liever nog dan ik heb je lief.

 

Katelijne Brouwer is dichter.

foto (c) Alja Spaan, 27 mei 2017


Geplaatst in Column.