Wie de Goden liefhebben….

door Hans Franse

 

Moet je jong sterven om een poëtisch vernieuwer te zijn?
Niet elke jong gestorven dichter is een vernieuwer. Ik vermoed dat als de jong gestorven literaire vernieuwers niet door een noodlottige ziekte, zelfmoord, of oorlogsgeweld zo vroeg de onsterfelijkheid elders hadden gevonden ze in de loop van hun dichterlijke ontwikkeling wellicht niet verder waren gekomen of misschien helemaal de pijp aan Maarten hadden gegeven en geen woord meer op papier gezet. Zo is het gedicht Maskerade van de jonge Nicolaas Beets heel leuk, ironisch. Het verwijst naar de Engelse romantiek, tegelijkertijd een uniek gedicht. De oude Beets is een conservatieve rijmelaar waar, eerlijk is eerlijk, af en toe nog fraaie regels van naar buiten komen.
Maar ook zijn er veel jong gestorven dichters die niet vernieuwend zijn: wie kent nog Alex Gutteling die 26 jaar werd? Wie kent een dichter als J.G. Danser (1893-1920) nog, door Bloem bewonderd, door Jan Gresshof begeleid? Of Hemkes, geen vernieuwer maar wel een zuiver poëet, die 33 jaar werd.
Dat Giacomo Leopardi vroeg zou sterven was, gezien zijn zeer zwakke gezondheid door zijn misvormde lichaam, wel bekend. De man die vernieuwde kwaliteit gaf aan de Italiaanse poëzie en toch in de traditie stond werd 39. John Keats, bezoek zijn graf in Rome achter de Pyramide, werd niet ouder dan 24 jaar. Zijn bijdrage aan de vernieuwing van de Romantische literatuur is groot. Shelley verdronk. Zijn hart werd begraven vlakbij Keats op het niet-katholieke kerkhof: zijn lichaam werd verbrand op het strand waar hij aanspoelde. En in de Eerste wereldoorlog sneuvelden kunstzinnige vernieuwers bij bosjes: Alain Fournier, Franz Marc, August Stramm en zoveel anderen.
Kijkend naar de Nederlandse literatuur zien we de vernieuwende bakkersknecht Jacobus Bellamy uit Vlissingen, die rijmloze poëzie introduceerde en leiding gaf aan vernieuwing. Hij werd 29. De jonge Alfred Rodenbach, hij werd 24 jaar, zou een groot poëtisch leider geworden zijn, stond vooraan in de emancipatorische strijd om de eigen taal. Als mijn vader zijn regel declameerde: ‘..Vliegt de Blauwvoet, storm op zee’ dan deed hij dat in een met tranen gevuld pathos. Zo moet het geklonken hebben.
Ook Paul van Ostaijen die op wereldniveau premières gaf van nieuwe literaire vormen en het organisch expressionisme ontwikkelde stierf jong (31), na nog met Du Perron aan een tijdschrift gewerkt te hebben. Hans Lodeizen (27) liet prachtige, licht vernieuwende poëzie achter. Hij zou misschien groter geworden zijn dan Kouwenaar. Het ‘Innerlijk behang’ versiert de Nederlandse literatuur.

Ik kwam op dit alles toen ik op de Nieuwe Ooster begraafplaats in Amsterdam het graf van Jacques Perk bezocht. Jacques Fabrice Perk, die in een dichterlijke dronkenschap in twee jaar tijd zijn oeuvre tot stand bracht. Als 19-jarige ontmoette hij in La Roche Mathilde Thomas. Of hij er echt verliefd op werd weet ik niet. Zij was het duidelijk niet op hem. Maar ze inspireerde hem: ze werd ‘het gedroomde vrouwenideaal’. Zelfs haar naam Mathilde verwees naar een Duitse roman en de Muze van Heine die ook Mathilde heette. Ze gaf hem nieuwe levensenergie. De beelden van de Ardennen bleven hem bezighouden en riepen beelden en woorden op, die de 100 sonnetten opleverden, samen de Sonnettenkrans Mathilde. Daarnaast schreef hij nog een kleine cyclus: Eene Helle- en Hemelvaart, 6 sonnetten waarvan 3 uit de Mathildecyclus kwamen. Shelley en Perk ontmoetten elkaar in een van de mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur: Iris. Hij schreef dat nadat zijn verliefdheid op Joanna Blancke doodliep, omdat zij in stilte al verloofd was. Als het einde van een verliefdheid zulke regels oplevert dan mag er nog veel liefdesverdriet plaatsvinden. Jacques Perk werd niet ouder dan 22 jaar.
Er zijn drie monumenten voor hem opgericht: het boek van Garmt Stuiveling: Het korte leven van Jacques Perk, het monument in La Roche, voor zijn vader en hem: een steen met een uitgehakte  dichtregel die moeilijk meer te lezen is, en het simpele graf op de Nieuwe Ooster, gerestaureerd in mei 2012, waarbij een nauwelijks zichtbaar bordje er naast iets van hem zegt.

Een stadsdichter van Amsterdam (Menno Wigman) schreef na de restauratie:

BIJ  HET GRAF VAN JACQUES PERK

Ik hield, mijn beste Perk, nooit heel veel van je werk
teveel gerijmel voor een nooit bezeten vrouw.
Maar ik vergat dat je slechts tweeëntwintig werd
en – vreemd dat ik dit denk – als maagd de grond in ging.
Toch blijft je naam zolang men Hollands leest.

‘Je schreef: ‘Schoonheid, o gij wier naam geheiligd zij’
Dat vond ik mooi. Maar schoonheid is verschrikkelijk –
zeker als het kan praten. Wie weet hoeveel je nog
had zitten haten in gebeeldhouwde gedichten?
En wat als razernij je rijm ontwrichtte?

Het moest zo. Zeker in jouw tijd. De tirannie
van standen, etiquette en sonnetten,
die is voorbij. Alleen de jeugd heeft nu gelijk.
Ooit was ik zeventien en lichtte je me bij:
‘Schoonheid o gij, wier naam geheiligd zij’.

© Menno Wigman

 

foto’s © Hans Franse

Geplaatst in Column.