LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Alja Spaan

21 feb, 2023

Alja Spaan (Sint Pancras, 1957), schrijft vanaf haar elfde dagelijks (zowel proza als poëzie), was van alles maar vooral creatief. Haar huis in Alkmaar werd Atelier9en40 waarin ze tot 2013 kunst- en poëzieprojecten deed. Onder die naam gaf ze anderen en zichzelf uit. Ze verscheen ook in verzamelbundels maar werd bekend door de Turing Gedichtenwedstrijd 2015. Een optreden van Joost Prinsen (Oudejaarsavond, 2020, Matthijs van Nieuwkerk) maakte haar gedicht geen rijmwoord voor immens populair.
Zij organiseert Reuring, een taalplatform in Alkmaar. Zij is voorzitter en coördinator bij het literaire e-magazine Meander en tevens verbonden aan het Dagboekarchief. Ook is zij dichter en bestuurslid bij de Eenzame Uitvaart Alkmaar.
De bundel Misschien moet alles eerst op tekening hersteld (Watervis, 2017) vormt haar eigenlijke, volwaardige debuut als dichter.  Het jaar erop verscheen Tegen het vergeten en voor de behoedzaamheid (IndeKnipscheer, 2018). In 2021 verscheen bij Aspekt Losse Honden. Er liggen vier manuscripten bij uitgevers, uit zij draagt alvast het wit een voorpublicatie. Deze bundel is opgedragen aan haar moeder en werd geschreven ‘van dood naar leven’ en samengesteld in 2014.
Er verschijnt dagelijks een nieuw gedicht op haar site.


foto © Wouter van der Hoeven

 

de wereld

In haar koude wereld had ik haar willen spreken.
Ik zou naast haar zitten en gewoon

haar handen kunnen pakken, ze had niet losgelaten,
niet nog een keer.

Misschien was ik zelfs langer gebleven dan de
bedoeling was, ze had immers nu

niet kunnen zeggen dat er nog iemand op mij
wachtte of dat

de wind zou aanzwellen en de regen zou komen
en ik daar niet op gekleed was,

nooit voorbereid was op iets erger: haar de tocht
laten maken in die immense kou.
materiaal

Ik overweeg een jurkje, blauw met rode bloemen
aan de zijkant zoals ik

een zomer overweeg, lome avonden onder hangend
fruit, de stoelen buiten getild,

de geluiden uit de tuinen hierachter steeds stiller
zoals ik.

Dan rust mijn vader van het werken op het land,
het hooi op schoven

en mijn mamma wringt de bessen tot de theedoeken
kleuren, zoiets.

Ik zou wit moeten dragen zoals mijn huid en daar
niet moeten blijven zitten.
een lijf valt

Nu zij er niet meer is om het dood gaan
op te dragen, fluisterend, sissend dan wel
geruststellend, nu

zij niet meer lijdt voor mij: aan dit leven,
de man of de omstandigheden, nu zij
niet meer zegt dat

de bloemen in de vaas stinken of hoe het
regenen zal, dagen achtereen, nu zij mij
niet meer

manen zal huiswaarts te keren, wie dan
neemt haar plek in, wie dan duwt mij tegen
het tuinhek en zegt mij

het terrein af te sluiten, te bewaken, de
scharnieren te oliën, het grint aan te harken,
bereid te zijn voor

welke bezoeker dan ook, aan wie schrijf ik
nu als zij er niet meer is om de post ongeopend
onder de fruitschaal te laten?
het handgegraven kanaal

Soms verzin ik mij haar en niet zoals ze daar
niet zit te zijn maar bukkend voor een overvolle
koelkast bijvoorbeeld waaruit ze mij

voor onderweg van alles wil geven, haar briefjes
tussen de stapels gestreken was of hoe ze met
priemende ogen vraagt of ik

hem nog wel eens zie en ook hoe ze huilend mij
verwijt van God en alles los te leven of erger
nog, hoe ze niets zegt terwijl ze

belt, hoe ik haar ademhaling hoor terwijl ik haar
niet zie zoals zij mij nu niet ziet en ik nog, hijgend
bijna en met natte wangen

alleen maar bij haar wil uitrusten van die tocht
onderweg waar geen proviand mij meer troost noch
haar schoonschrift mij begeleidt.

     Andere berichten

Kinderpoëzie (X)

Kinderpoëzie (X)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...

Marnix Speybroeck

Marnix Speybroeck, Heer van Gram, studeerde Germaanse talen aan de UGent waar hij promoveerde met een proefschrift over Robert Graves. Van...