LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Peter J.R. Vermaat

18 apr, 2023

Peter J.R. Vermaat (1963) is dichter en recensent voor Meander. Hij werkt als principal consultant voor een ICT-bedrijf.
Over De vaderverzen zegt hij:
“Sinds mijn vader in 2015 de diagnose Alzheimer kreeg, is hij steeds meer vervaagd van zijn omgeving, van zichzelf en vooral van wie hij vroeger ooit geweest is. Ik vraag me sedertdien in gedichten regelmatig af wat er in taal nog kan worden behouden – of liever nog geschapen – van wat er tussen ons bestond, bestaat of zijn zal, daarbij alles gelovend en alles hopend van wat achter de omtrekken van woorden vandaan toch elke keer weer te verwezenlijken valt.
De reeks De vaderverzen, die in 2015 begon met een kleine serie van vijf, is inmiddels gegroeid tot 12 voltooide gedichten en een drietal aanzetten, maar zal in de komende jaren zeker groeien tot het dubbele daarvan. Hoewel alle gedichten als het goed is behoren tot de categorie “werk in uitvoering”, verwacht ik in de gekozen drie geen al te grote wijzigingen meer – en hoop ik in “Schreden” het slotgedicht gevonden te hebben.
Zoals van al mijn poëzie hoop ik dat de lezer in de taal meer kan terugvinden dan de dichter er in verloren heeft.”

 

Roofhol

Mijn vader is een langzaam leger rakend huis.
Klemmende voordeur, luiken voor de ramen,
lampen die zinloos branden dag en nacht.

Een tafel zonder stoelen, manke poten
houden de resten van ontbijt en avondmaal
nauwelijks overeind. De klok maakt niemand wijzer
dan zijn eigen tijd, die met de schemer komt.

Gordijnen rafelen, behang verbergt
de breuken in de binnenmuren, roofhol klinkt
het ritselen van knagers in de plinten.
In het verzuurde grondwater woelt ongedierte.

De grauwe buurman sluipt over het tuinpad, glipt
met handenvol de achterdeur weer uit.
Voorbijgangers horen hem vloeken, huilen.
Ontwijkend

Je gaat al weg. De brede vleugels van je geest
wieken vertraagd en goudverlicht. De laatste dag
telt op zijn vingers de minuten af.

De heuvels worden schimmen. Wat daar achter ligt,
moet ik bedenken, steden in mijn hoofd de namen geven
waarmee ik ze nog tastend vinden kan.

Straten waar mensen wonen achter voordeuren,
herkenbaar aan een nummer of een kleur,
die jou gekend hebben als ik het vraag.

Achter de dunne lijn die toekomst heet,
geen hier en nu meer mogelijk maakt,
de vingers op de mond van het verleden legt,
is al begonnen wat geen einde heeft,
waar je als kind de eerste stappen zet,
ontwijkend aan mijn hand die reikt.

foto © Jannet Verhallen-Vermaat



Schreden


De bladeren gevallen en de laan begrensd
door grauwe bomen, die je vrijwaren
van afdwalen naar links of rechts.

Schrede voor schrede, voet na voet
benader je de naakte aarde, die zich onder je
met lege handen als een warmer welkom voordoet
dan de harde bovengrond kan doen vermoeden.

Daar is het licht, het raadselt van omhoog
en neemt een windvlaag van verwondering
onder de oksels mee, verwaait de nevelflarden
die lang je eerste woorden hebben overdekt.

Je lacht en recht je rug, droomt vogels in de lucht
en springt met open mond in hun refreinen.
De kleine jongen rent de wereld in, de wereld uit.

     Andere berichten

Kinderpoëzie (X)

Kinderpoëzie (X)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...

Marnix Speybroeck

Marnix Speybroeck, Heer van Gram, studeerde Germaanse talen aan de UGent waar hij promoveerde met een proefschrift over Robert Graves. Van...