LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

De blijdschap die muziek oproept

7 mei, 2023
door Jan Loogman

 

Zoals er gedichten zijn die het onzegbare onder woorden lijken te brengen, zo kan muziek raken aan gevoelens waar woorden te klein voor zijn. Poëzie en muziek zijn uitingsvormen die aan elkaar verwant zijn. Dat wordt wel gezegd, maar op een van de eerste mooie lentedagen van dit jaar leek deze stelling me weer eens beperkt waar. Is er poëzie die zo blij kan maken als muziek?

‘Hoe zie ik eruit?’ had ik mijn echtgenote gevraagd voordat ik die dag de deur uitging. ‘Als een visser,’ was haar antwoord en ik besloot dat ik in de roos had geschoten door mijn rode trui met de opstaande kraag aan te trekken. ‘Als een boer,’ was het perfecte antwoord geweest, maar wie ziet tegenwoordig het verschil tussen de twee? Op het stadsplein bij de Grote Kerk trof ik Frank die een blauwe trui met ritskraag droeg en op zijn hoofd een Franse alpino. Eveneens prima getroffen. Aan ons uiterlijk zou het niet liggen en al gauw zagen wij dat ook de vrouwen hun kleding met zorg hadden gekozen. Overal schorten, omslagdoeken en hoofdkapjes, een enkeling droeg zelfs klompen.


Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag / lang-uit met moeder in de warme hei.’ Zoals Nijhoff met zijn ‘kleine kleren’ het kind opriep, zo riepen wij vandaag met onze kleding negentiende-eeuwse boerenmensen op. Dat verbeeldden wij ons althans en zo waren we deze eerste mooie lentedag van 2023 goed begonnen, want voor onze uitvoering van vandaag moesten we er zo uitzien. Alsof wij Van Goghs Aardappeleters waren. Nu het vervolg nog: het zingen.



Mijn zanglerares had mij gevraagd mee te zingen in een eenmalige uitvoering op het plein bij de Grote Kerk van Alkmaar, waar ook het Stedelijk Museum staat. Vier koren gingen zingen bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Gogh, Cézanne, Le Fauconnier & de Bergense School.’ In twee liedjes van een van de koren was de baspartij voor mij en Frank, de andere man die mijn zanglerares, tevens dirigente van twee van de koren, bereid had gevonden. Een van de liederen was Vivre, ook wel Laat me. Dat gingen de vier koren gezamenlijk uitvoeren; het zou de finale van het optreden vormen.



Eenmaal waren Frank en ik op een avond naar een oefenlokaal aan een Noord-Hollandse dorpsstraat gefietst om met de vrouwen van het ene koor te repeteren. Terwijl zij in wisselende graden van zekerheid hun sopraan-, alt- en tenorpartij vertolkten, voegden wij een weifelend basgeluid toe. Op de weg terug bespraken Frank en ik de komende uitvoering. Vivre stond nog niet, vonden wij, en dan zou het koor het lied bovendien nog eens samen met de drie andere koren gaan uitvoeren. We hadden een hard hoofd in het komende optreden. Chaos leek te verwachten.

Maar op deze zaterdag zagen we er allemaal goed uit, de twee mannen en de zeventig vrouwen die met elkaar de vier koren vormden. Vooraf aan de uitvoering op het plein oefenden we in onze boerenkleding in de Grote Kerk. Vanaf het hoge kerkplafond kwamen onze stemmen als zuivere tonen naar ons terug. Hier was het gemakkelijk onze oren open te zetten en te zingen terwijl we de andere stemmen hoorden. In groeiende blijdschap stapten we naar buiten.



Nog steeds scheen de zon. Koor na koor zong vlekkeloos haar eigen liederen en toen we met elkaar aan Vivre begonnen, wisten we al dat de uitvoering fijn zou zijn. We lieten de eerste tonen van het begeleidende accordeon rustig klinken over het plein, onvervaard zette het eerste koor in, terwijl de andere hun begeleidende lijnen zorgvuldig zongen. De oren open voor elkaar. Frank en ik hadden steun gevonden bij vrouwen uit een ander koor, die ook de baspartij bleken te zingen, ons doe-doe-doe was ineens op de goede toon en toen we aan de finale toe waren, zagen we aan de opzwepende gebaren van onze dirigente dat we ons konden laten gaan. ‘Laat me – Laat me – Laat me mijn eigen gang maar gaan,’ zongen wij. Luidkeels en bovendien met volkomen ademsteun zodat we direct door konden naar de volgende regel. In mijn oren hoorde ik Frank, en ook de sopranen, de alten, de tenoren: ‘Laat me – Laat me – …’ we lieten een rust vallen, waarin ineens de stem van het accordeon klonk – en zongen toen, beslist vierstemmig: ‘Ik heb het altijd zo gedaan.’

Elke zanger, vrouwelijk, mannelijk of non-binair, wist die zaterdagmiddag geen Maria Callas, Luciano Pavarotti of Ramses Shaffy te zijn. Aan de euforie die het gezamenlijk zingen gaf, deed dat besef niets af. De muziek, het mogen uitvoeren ervan, maakte de zangers blij. Elke vraag over het waarom van het bestaan leek te worden beantwoord. We leven omdat het fijn is om te leven: Vivre, vivre / Même sans soleil, même sans été / Vivre, vivre / C’est ma dernière volonté. Is er poëzie die zo blij kan maken als deze muziek?

 

afbeeldingen:
Boerenkleding
De aardappeleters, van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)
Grote Kerk Alkmaar

     Andere berichten

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...

Waar een busreis toe leiden kan

door Marc Bruynseraede   In de jaren zeventig kwam ik in contact met Ton Luiting, dichter-journalist bij De Gooi- en Eemlander en...

Heeft u pech, dan heeft u geluk

door Jan Loogman   De redactie van het ANWB-magazine De Kampioen heeft onlangs de lezers gevraagd gedichten in te sturen over hun...