LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Dirk Mout – Onzegbaar is het blauw

6 nov, 2023

(Un) Bearable Blues

door Ivan Sacharov



Romantisch-mistroostig oogt de poëzie van Dirk Mout:

Naar remises
rijden ’s nachts de trams
hun ritten uit.

Ze janken om de stad
die dienstgewijs verdaagt.

In lantaarnlicht
dat tegen gevels stuit
verlaat een conducteur
de doodgelopen straat
waarin het spoor vervaagt.

Alleen een halte
wijst op iets dat komen gaat.

Romantisch door het verlangen naar meer, mistroostig omdat er toch ‘niets meers’ lijkt te zijn. Ik zeg ‘lijkt’, want wie dit gedicht uit de debuutbundel Onzegbaar is het blauw goed leest komt er gaandeweg achter dat niets definitief is. Het woordje ‘uit’, in de eerste strofe, wordt teniet gedaan door het ‘dienstgewijs verdagen’ van de stad. En in de ‘doodgelopen straat waarin het spoor vervaagt’ (kan het nog uitzichtlozer?), blijkt een halte aanwezig, die ‘wijst op iets dat komen gaat’. Fraai dat een woord dat een ‘stop’ inhoudt, toch iets in beweging zet!
Niettemin mistroostig. Ondergronds zit er in deze poëzie een flink besef van de eindigheid van dingen, een verlangen haast naar een zekere afloop. De trams janken in hun metalen klanken niet voor niets omdat de stad het ‘klaar zijn’ van hun ritten verdaagt. Maar daar moeten we als lezers niet over klagen. Poëzie kenmerkt zich immers (bijna) altijd door ambivalentie, die in betere gedichten uitloopt op een soort van confrontatie met onszelf:

Op de spoorbaan liep ik met een meisje mee
dat mij verkering vroeg voor haar vriendin.
Ik dacht aan lange wandelingen langs de zee
en platen draaien, dus ik stemde gretig in.

Op het gladde ijzer legde ik een stuiver neer
die door de trein van even over half negen –
tijd ontneemt aan elke halteplaats verweer –
in mijn linker broekzak lichter leek te wegen.

Bij het vreugdevuur ter ere van de laatste dag
bedacht ik moeiteloos mijn mooiste dromen.
In het maanlicht zwalkten vonken overstag.

Terug op school is amper iets terechtgekomen
van de zomer die ik op de bielzen voor me zag.
Vooralsnog had ik de kortste weg genomen.

Een beetje raar, dit gedicht. Een puberale fantasie die op de toon van een light verse wordt gebracht. En waarschijnlijk is geschreven door iemand van boven de 60! Ik ken de dichter niet. Maar ik zeg dit omdat sommige gedichten in de bundel getuigen van een affiniteit met gebeurtenissen die een link hebben met de Tweede Wereldoorlog. Een ‘wederopbouwkind’, noemt hij zichzelf in het gelijknamige gedicht dat gaat over het groeien van de ik-persoon als jongeman en eindigt met de veelzeggende regels: ‘Mijn vader zette / per verdieping die ontstond / met potlood streepjes – / steeds een centimeter hoger – / op het bouwbehang.’ Wat een prachtig woord: ‘bouwbehang’! Een beetje archaïsch (alsof de wortels van de dichter ergens díep in een oer-Dietse grond zitten, of zo).

Maar dit terzijde. Terug naar het geciteerde gedicht dat op een sonnet lijkt. Helemaal goed is het niet. Ik weet ook niet of dat kan, met dit soort gekke gedichten. Als het een sonnet is: zit de volta met dat ‘overstag’ op de elfde regel wel op de goede plaats? En mooi dat het rijmt, maar staat er niet (teveel) wat er staat? Nu ja, de verschillende onderdelen sluiten op een merkwaardige manier op elkaar aan, en dat geeft ruimte voor speculatie. Wat, bijvoorbeeld, heeft de inhoud van de eerste strofe met de tweede strofe te maken, behalve dat beide strofen zich vermoedelijk op dezelfde plaats afspelen? ‘Het gladde ijzer’ zou het plekje van de geldautomaat kunnen zijn waar betaald moet worden voor een treinkaartje (het gleufje). Maar waarschijnlijker is het de rails, waarop de trein rijdt. De ik-persoon liep tenslotte met een meisje mee op de spoorbaan. Het spelletje van ‘een muntje op de rails leggen en er dan een trein over laten rijden’, ken ik ook wel. Wie het ooit geprobeerd heeft weet dat een stuiver veranderen kan in een prachtig plat ellipsvormig plaatje. Of het gewicht van het muntje daarbij echt wijzigt weet ik niet. Het gewicht van wat er in de linker broekzak zat verandert natuurlijk wél als het muntje daar niet meer in zit! Hoewel, als iets ‘in mijn linker broekzak lichter lijkt te wegen’, kan ‘dat iets’ er dan uit zijn? In elk geval ‘ontneemt de tijd aan elke halteplaats verweer’, doordat hij altijd weer verder gaat. En dat zal dan ook wel gelden voor de ‘halteplaats’, die de linker broekzak is. Merk op dat in het vorige gedicht ook al sprake was van een halte. In deze bundel komen bepaalde woorden (zoals bijvoorbeeld de ‘elementen’ lucht, aarde, vuur en water) opvallend vaak voor. De dichter lijkt ook gepreoccupeerd met jeugdherinneringen en treinreizen (het leven is een reis, waarop men kan terugblikken).

Het gedicht springt in de derde strofe plotseling naar ‘het vreugdevuur ter ere van de laatste dag’. Dat zal wel niet de laatste dag van de wereld zijn (waarom niet?), maar van een vakantie, of van de tijd met de vriendin van het meisje. In elk geval lijkt er enige tijd te zijn voorbijgegaan sinds het lopen op de spoorbaan. Hoeveel precies is niet duidelijk. Maar de ik-persoon bedenkt bij het vreugdevuur moeiteloos zijn mooiste dromen. Duidelijk wordt niet of dat in het bijzijn van de bedoelde vriendin is, of niet. Je kunt tenslotte van alles bedenken, waar dan ook. In het maanlicht ‘zwalkten vonken overstag’. Overstag waar naartoe? Dat blijft onduidelijk. Net zoals onduidelijk blijft of er alleen op school niks van de zomer is terechtgekomen die de ik-persoon op de bielzen voor zich zag, of dat er eerder al iets is misgegaan. In feite wordt in dit gedicht helemaal niet duidelijk of het iets is geworden tussen de ik-persoon en de vriendin van het meisje (al lijkt het er sterk op van niet). Ook de laatste regel, waarin gesproken wordt van ‘een kortste weg’, is een raadselachtige. De kortste weg waar naartoe? (In dit verband intrigeert me dat meisje dat verkering vroeg voor haar vriendin: hoe waren de gevoelens van de ik-persoon voor haar? In een driehoeksrelatie kan er immers sprake zijn van ‘een kortste weg’.) Goed. Als lezer blijf ik zitten met het gevoel dat er ‘iets’ anders is gelopen dan eerst gedacht. Maar wat? Misschien wel mijn interpretatie van dit gedicht!

Dit in één gedicht ‘bij elkaar harken’ van verschillende onderdelen waarvan de samenhang aan de lezer wordt overgelaten komt wel meer voor in de bundel. De dichter lijkt soms een beetje kortademig (niet per se als kritiek bedoeld). Hoe de gedichten gevormd zijn wijst ook in die richting: ze bestaan meestal uit een aantal korte strofen van enkele regels. Zoals in het volgende sfeervolle

ANTWERPEN

Verzonken
in de kelder van het pomphuis
rouwden de motoren

om de paardenkrachten
die zij tomeloos verloren.

Voor de trambaan bleef
wat verderop
de stalen brug bewaard.

Kasseien gaven echo’s weer

van klanken, stemmen
door de jaren heen ontaard.

Aan kades legden
doorgewerkte nachten
zich bij zomerdagen neer.

Langs de jachten
banjerde het water
anders dan de laatste keer.

Door de smalle straten
liepen wij
verouderd in studentenogen.

Winkelpanden stonden
onverwachter dan we dachten
naar het noorderlicht gebogen.

In dit geval wordt de lading van de verschillende onderdelen waar ik het eerder over had natuurlijk gedekt door de titel ‘Antwerpen’. Maar er lopen ook andere verbindingen als haarvaten door dit uitgesproken nostalgische gedicht. Eén van de fraaiere van de bundel. Neem nu dat ‘pomphuis’: want wat wordt er in het heden naar boven gepompt als het niet het verleden is? De strofen die op de eerste volgen maken dit waar. Maar het mooist zijn misschien de laatste drie: met dat banjeren dat mensen ook doen. Anders dan de laatste keer want: later, ouder, beseffend ‘onverwachter dan ze dachten’, dat de winkelpanden (de plaatsen waar geleefd wordt) naar het noorderlicht gebogen staan. De zon laat het afweten in het noorden. En als het begint te schemeren, en het noorderlicht zichtbaar wordt, is er niet veel meer van de normale zonneschijn te bekennen. Eindigt het leven als een aarde ontstijgend noorderlicht? Een licht dat enigszins anders kleurt dan het normale hemelsblauw, moet ik erbij zeggen. Is dát het blauw dat onzegbaar is, volgens de (paradoxale) bundeltitel: ‘Onzegbaar is het blauw’? Een titel die – een beetje bevreemdend – toch wel juist gekozen lijkt. Want hoewel op zich ‘het blauw’ wél ‘zegbaar’ is (de titel bewijst het), blijft het onzegbaar hoe blauw ‘het’ is. Of beter nog: blijft ‘het’ onzegbaar. En dan – met alle associaties die het teelt – is het zo gek nog niet om ‘het’ (of het nu om ‘noorderlicht’ gaat, of om ‘in maanlicht zwalkende vonken’) blauw te noemen.

____

Dirk Mout (2023). Onzegbaar is het blauw. Uitgeverij Liverse, 66 blz. € 21,95. ISBN 9789492519603

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...