LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Marc Reugebrink – Om honing gaat het niet

29 dec, 2023

Hoe een gedicht de wereld mooier maakt

door Marc Bruynseraede




Soms volstaat het te dromen om te merken dat je ook op een andere manier kan leven en daaruit kracht, wijsheid en schoonheid te putten.
Die gedachte kwam bij mij op toen ik het eerste gedicht ‘Diepenheim’ las uit de laatste bundel van Reugebrink Om honing gaat het niet. Soms is het helemaal niet nodig naar de realiteit te zien, om te beseffen dat er in ons ook een andere realiteit leeft: een die dieper zit, verborgen onder de oppervlakte. Dit eerste gedicht staat los van de andere cycli en is betekenisvol voor de manier waarop je tegen de dingen kunt en moet aankijken, om iets te snappen van wat poëzie is en om daar een diepe voldoening uit te halen. Er kome wat kome: poëzie zal er altijd zijn. Daarna volgen vijf andere cycli met de respectievelijke titels ‘hoe kom je thuis’, ‘met welke stem’, ‘dat het missen is’, ‘kom nou toch bij mij’ en ‘om honing gaat het niet’.

In een gedicht als ‘In en uit de kudde’ schildert de dichter een natuurtafereel van een exotische en blijmakende schoonheid die naar échtheid verwijst en verlangt en de lezer meeneemt in een ‘bescherming die omhelst met zachte vacht’. Je zit als individu in de kudde gevangen maar je geest gebiedt je ook, met de expressie van je persoonlijkheid, je daaruit te bevrijden. Het besluit van het gedicht luidt dan ook: ‘Naar het leven staan als dieren / aan de waterrand, met een eigen tong.’

In andere gedichten in deze cyclus is de dichter in dialoog met zichzelf, als een imaginaire (afwezig-aanwezige, maar daarom niet onbestaande) tweelingbroer. Ik citeer het gedicht ‘IN OOG’ hierna:

IN OOG

Kijk, dit ben ik zelf, dit is
een volledig mij vreemde – nee,
de hem zo teder beminde, één
tot in mijn huid verknocht
aan zichzelf: wij horen vanbinnen
ons spreken, maar spreken ons
tegen, verslikken, verdwijnen, maar reiken
getweeën naar wat buiten ons blijft:

dit denkbeeld als landschap als
longen als lever, ondenkbaar
in nieren en hart, keerzijde tevens
en even omkeerbaar als barsten
en breken van glas – dit ene

maar ik ben het niet, dit is
de wereld en deze staat gene
in spiegels te vrezen: als ik het niet ben
kan het de ander niet wezen.

Dit is een tekst waarvan elke mogelijke verklaring alleen maar afbreuk doet. Je moet hem lezen, ondergaan, be-leven met de vanzelfsprekendheid van een samenknijpende hartspier – het hart pompt als een vanzelfsprekendheid. Punt aan de lijn – en jezelf erover verbazen dat hij daar op papier staat en dat jij hem daar aan het lezen bent. Het lijkt wel echt en het IS het dan ook. Geen wonder dat de dichter zich, na acht van deze gedichten, afvraagt: ‘hoe kom je thuis’. Hij doet afstand van zijn eigen verstrooidheid. Hij schrijft niet ‘Hoe kom IK thuis’ maar ‘hoe kom je thuis’. De verstrooidheid is hier iets onpersoonlijks dat eenieder ten deel kan vallen die in staat is om ‘het volkomen vergeten van vragen / en hoe kom je thuis.’ // Een eerder vergeten loopt voor je uit / als een hond langs de struiken.’ Bij Reugebrink staat het op papier, maar bij ons allemaal, leidt het een eigen leven.

De tweede cyclus verloopt in een al even vragende, luciede vorm: ‘met welke stem’ er te spreken valt. ‘Iemand / ziet hoe zijn tv-beeld stolt, luistert even / naar het spreken in de eeuwig sneeuwend / zenderloze ruis – het goede, het kwade – / en schakelt uit.’
Het is weinigen gegeven een poëzie als deze te schrijven. Reugebrink is iemand die niet om de haverklap een bundel laat verschijnen. Zijn laatste bundel dateert van een goede dertig jaar geleden. Er moet over de dingen nagedacht worden, alvorens ze op papier kunnen komen te staan.

In het lange gedicht ‘De Val’ dat handelt over, en opgedragen is aan, zijn grootvader die op zijn manier de wereld wilde beter maken, staat de opdracht die de dichter tot de zijne gemaakt heeft: ‘Het is wat blijvend / in mij zat, dat wilde toen / en wil ook nu in mij en jou // ontkomen. Wees daaraan trouw.’

In de derde cyclus ‘dat het missen is’ trekt de dichter de herinneringen die blijvend aan hem blijven plakken – het gemis aan verdwenen dierbaren – verder door. Het ‘ontkomen’ is hij niet vergeten; het komt nog terug in de gedichten ‘Vandaag’ en ‘Eindspel’. Het zo mooie gedicht ‘Canto Ostinato’ roept onwillekeurig herinneringen op aan de nog niet zo lang geleden overleden toondichter Simeon ten Holt, die een compositie onder deze naam schreef. Wat de componist daar met noten deed, doet Reugebrink hem na met woorden. Het bezwerend herhalen van dezelfde woorden, met lichte variaties is hier op sublieme wijze tot een poëtische inventaris van herinneringen verwerkt:

CANTO OSTINATO

———– i.m. Georges Henry

Iemand moet iets zeggen.
Iemand moet de plaatsen noemen
waar wij geboren werden. Iemand
in dit huis naast zijn huis, op dit
ontijdig uur, het testbeeld op tv.

Iemand moet vertellen hoe ook vandaag
een laatste eeuw weer aanbreekt
in verhalen, sigaren, het smeltend ijs
in whiskyglazen, wat rook
over de tafel blazen, iemand
moet iets zeggen tegen het testbeeld op tv,

zijn puzzel afleggen, de batterijen checken
van de keukenklok, het leertje van de kraan.

Iemand moet zich halverwege
in de rede en geen woord ertussen
geen speld horen vallen, niets dan iets
later en later aan de eendere tafel
in de haast doodstille keuken
de nadruppel water. Iemand –

laat iemand een zender zoeken
tegen het ruisen en de sneeuw.

In dezelfde toonaard van innigheid en tederheid, die nergens in sentimentaliteit vervalt, vervolgen de gedichten uit de cycli ‘kom nou toch bij mij’ en ‘om honing gaat het niet’. Daarin vinden we het gedicht ‘Kale Jonker’ waarin het vers ‘Om honing gaat het niet’ meteen de titel voor de bundel weergeeft, onmiddellijk gevolgd door de woorden: ‘Het gaat om overleven’. Het gedicht geeft een goede synthese van de hele bundel die schoonheid koppelt aan waarachtigheid en de drang naar verder bestaan. Ik voel in het hele schrijven van Reugebrink de hunkering om iets moois en échts tot stand te brengen, waarmee hij ONTKOMEN kan aan de doem van de zinloosheid en dat BLIJVEND kan zijn, van betekenis. En hij doet dat door diep in de dingen door te dringen, gekruid met een lichte toets van melancholie, want niets is blijvend, volmaakt en voor eeuwig. Ziedaar de paradox van het bestaan.

Eerst dacht ik dat Kale Jonker sloeg op een kaalhoofdige man, als het portret van Jan Lievens uit de tentoonstelling Krasse Koppen in het Museum voor Schone Kunsten, en de benaming van de bijensoort – de dikbekbehangersbij – waar het in dit gedicht om gaat, als een originele vondst van de dichter. Tot ik Damiaan De Schrijver in Winteruur – een poëtisch laatavondprogramma op Canvas – de lijst van de zeldzame bijensoorten hoorde opsommen, uit Een kleine geschiedenis van bijna alles van Bill Bryson. Ik dacht: het is niet ‘e bene trovato’, maar het bestaat echt. Toen ik op Google ‘Dikbekbehangersbij’ intikte vernam ik dat deze soort zich nestelt in kale jonker; een distelachtige soort met een mooie paarse bloem. De natuurkundige waarneming van de dichter wordt gekruid met een poëtisch toetje‘, namelijk, hoe het er in de flora dient aan toe te gaan: ‘En als de sneeuw begint te vallen / en als vanouds er stilte heerst tussen de korven / hoor ik in de verte de distels zingen.’

____

Marc Reugebrink (2023). Om honing gaat het niet. Querido, 72 blz. € 18,99. ISBN 9789021487403

     Andere berichten

Michiel J. Ris – Broersgedicht

Het gedicht is machtiger dan de mitrailleur door Jeroen van Wijk - - Michiel J. Ris (1998) is dichter, schrijfcoach en amateuracteur. In...