LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Terug te vinden: een verloren dichter

31 dec, 2023
door Jan van der Vegt

Vergeten dichters zijn al bij tientallen langsgekomen in de rubriek die in recente Meander-afleveringen aan hen was gewijd. Maar soms wacht een dichter een erger lot dan na zijn dood vergeten te worden, soms raakt er een in het woeden van de literatuurgeschiedenis al verloren voor hij vergeten kon worden.

In januari 1959 verscheen een dubbelnummer van Maatstaf, maandblad voor letteren, dat gewijd was aan de ‘experimentele poëzie’. Gastredacteur en samensteller was Paul Rodenko, bij uitstek de woordvoerder van de Vijftigers. Niet alleen werd er de balans van tien jaar poëzievernieuwing in opgemaakt, Rodenko wilde ook vooruitkijken. Terwijl de poëzie van veel jongeren die zich na de Vijftigers hadden aangemeld, neerkwam op een makkelijk, ‘passief’ spel met associaties in een even makkelijke vrije versvorm, zag Rodenko ook een hoopgevende ontwikkeling. Hij noemde in zijn slotbeschouwing vijf dichters van wie verzen in dat Maatstafnummer waren opgenomen en die hij het ‘experimentele dichten’ op een ‘actieve’ wijze zag voortzetten. Een van hen was een debutant: J.H. van Dijk (1930-1998), wiens tweedelige gedicht ‘Catechismus’ vier pagina’s vulde. In twee latere nummers van Maatstaf, november 1960 en januari 1962, verschenen kortere verzen van hem. Het was een veelbelovend begin.
In 1966 publiceerde Van Dijk Het recht van buit, een kleine bundel in de Aurea-kartons van uitgeverij Sijthoff. Daarop volgden nog twee bundels bij Holland in Haarlem: Broedwieg in 1974 en Fall-out in 1976. Maar de drie bundels bezorgden hem niet de plek in de Nederlandse dichtkunst die zijn debuut leek te beloven. Het recht van buit werd genoemd in een paar stapelrecensies, maar de volgende bundels bleven nagenoeg onopgemerkt. Had dit een oorzaak?
Van Dijks poëzie ging een eigen weg – misschien niet eens de weg die Rodenko bedoelde – en haar stijl en thematiek rijmden niet met wat in de jaren ’60 en ’70 grosso modo van dichtkunst werd verwacht: het relativerende realisme. En in de jaren waarin publieke interesse voor de persoon van de dichter sterk toenam, was Van Dijk afwezig want hij leefde als expat.

Jaap van Dijk werd in 1930 te Balikpapan geboren, op wat toen nog Borneo heette (nu: Kalimantan). Nog voor de oorlog stuurde zijn vader hem naar Nederland en hij groeide op in Bergen. Na zijn schooljaren kreeg hij in Indonesië een functie bij de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij. Daarna werkte hij van 1959 tot 1963 in overheidsdienst op Nieuw-Guinea. In 1965 werd hij aangesteld bij de buitenlandse dienst van de Hollandsche Bank Unie (later: ABN), met standplaats Paramaribo. Na acht jaar Suriname werd hij door de bank overgeplaatst naar respectievelijk Jakarta, Karachi en Osaka. In 1985 werd Dubai zijn laatste standplaats. Hij ging in 1990 met pensioen en vestigde zich in Elen, onder Maaseik aan de Belgische kant van de Maas, waar hij in 1998 onverwacht overleed.
Overplaatsingen gingen gepaard met maandenlange verlofperiodes die Van Dijk met zijn gezin doorbracht in Bergen. Daar waren familiebanden, en hij bleef zich thuis voelen in het dorp waar hij Roland Holst had leren kennen en de poëzie van Lucebert was gaan bewonderen. Zij beiden lijken mee te klinken in de aanvangsregel van zijn debuutgedicht ‘Catechismus’: ‘na de vooruren van het lichtbegin en de voorportalen van de zee’.

Ik kwam in juli 1964 in contact met Jaap van Dijk via een gemeenschappelijke vriend, toen hij na Nieuw-Guinea langdurig in Nederland verbleef. Voorlopig bleef het bij een uitvoerige correspondentie. Gedichten van hem mocht ik opnemen in het tijdschrift Contour. In mei 1965 ontmoetten we elkaar voor het eerst in Zaandam. Over Suriname had hij in lange brieven veel te vertellen, onder meer over zijn contacten met dichter-journalist Jozef Slagveer, een van de vijftien die in december 1982 door Bouterse zijn vermoord.
Zijn poëzie fascineerde mij omdat ze in het post-experimentele poëzieklimaat van de jaren ’60 een eigen stem liet horen en doortrokken was van de vegetatieve kracht van het oerwoud dat hij op Nieuw-Guinea had leren kennen. In zijn tweede bundel verbond hij agressieve natuurkrachten en seksualiteit met de technische krachten die de kosmos bereikbaar maken en de wereld bedreigen. Mythologische beelden van Griekse of Bijbelse herkomst doen dan dienst als symbolen. Typerend is het gedicht ‘Circe’ uit Broedwieg:


Behoedzaam ontvouwt zich haar lieflijke diepte
op het bed waakse padden gaan schuil
enkel een wesp snel nog sluit het vertrouwde

op haar randen wankelt de meest hartstochtelijke
van allen als een spin op een harige bloem toch
maar het slikkend geheim tussen de haren ten spijt
worden haar gangen toch wonderlijker
en smaller

dan tussen haar weke schelpen schreeuwt
de dorre droom van de bezongene

De spin die gevaarlijke agressie paart aan de verfijnde techniek van haar web, is vaker een symbool in deze poëzie. De combinatie van mythologische en aan science-fiction ontleende motieven kreeg in Fall-out, Van Dijks derde bundel, een bijzondere vorm: een cyclus die een mythische ruimtereis verbeeldt met als einddoel het terugvinden van zichzelf. Het is een thema waarmee hij, maar dan in een heel andere taal- en dichtvorm, aansluit bij De ruimtevaarder (1968) van Hans Andreus.

foto © Algemeen Dagblad Wetenschap


De overplaatsing in 1981 naar Osaka bracht een wending in zijn poëzie. De Japanse dichtkunst had hem altijd al geboeid en ook hij schreef haiku’s, maar in Japan leerde hij andere genres kende, zoals het kettinggedicht renka. Hij werd zeer productief in deze voor hem nieuwe dichtvormen, maar het is niet meer tot een bundeling gekomen. Een haiku van Van Dijk, gepubliceerd in het blad Vuursteen (zomer 1989), mag contrasteren met het gecompliceerde taal- en beeldenspel in het eerder aangehaalde gedicht:

stapelwolken
en oh de geur van regen
die niet door wil komen

Je kunt Van Dijk geen ‘vergeten dichter’ noemen, want op enkele lezers na heeft niemand zijn werk gekend. Hij was professioneel een expat, maar hij zocht ook als dichter verre gebieden op, waar de poëziebesprekers zich niet waagden. Zijn poëzie laat zich bij oppervlakkige lezing niet kennen, men moet de samenhangen tussen de verzen zoeken. Ook dat werkte in zijn nadeel. Zo is hij na zijn veelbelovende start al snel verloren geraakt. Maar het hoeft niet te laat te zijn om hem terug te vinden.

 

 

De drie bundels van J.H. van Dijk zijn via het internet bij antiquaren nog wel te vinden. Een uitvoeriger beschrijving van zijn poëzie staat in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren, onder de titel Waagsprong in de leegte van het bestaan.

 

     Andere berichten

Het jammerhout van de dichters

door Hans Franse     Onlangs vertelde Yvonne Keuls (wat een vitaliteit en geheugen op haar 92ste jaar) op een typisch Haags...

Slapen als een ladder in een boom

door Rogier de Jong   Je ogen smelten in hun duister licht. Je koude haar is een doorwaadbaar weefsel en op je nauwelijkse lippen...