LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

De moeder het water

14 jan, 2024
door Rogier de Jong

De feestdagen zijn een uitgelezen periode om in een goed boek te verdwijnen. Van een bevriende dichter kreeg ik een essaybundel van Rutger Kopland, getiteld Twee ambachten, gesigneerd door de auteur zelf.

In het boek gaan Rudy van den Hoofdakker en zijn alter ego Rutger Kopland in op de essentie van hun respectievelijke beroepen van psychiater en dichter. Van den Hoofdakker trok zoals bekend van leer tegen de misstanden in de psychiatrie van zijn dagen en ik wil graag geloven dat de geestelijke gezondheidszorg in Nederland mede dankzij hem ingrijpend is gemoderniseerd.

Niettemin moet ik bekennen dat de essays over dit onderwerp mij maar matig interesseerden. Ze waren verplichte kost, vormden hoogstens een aanloopje naar het hoofdgerecht: de sectie Over poëzie. Het tweede hoofdstuk van die afdeling is een vermakelijke beschouwing over een opdracht die Kopland ooit kreeg van NRC Handelsblad om een gelegenheidsgedicht over de nieuwe brug bij Bommel te schrijven. Daarvoor moest hij over Martinus Nijhoff heen, wiens vers De moeder de vrouw in de Nederlandse poëziecanon in steen is gebeiteld en de (oude) brug bij Bommel tot een literair icoon heeft gemaakt. Dit gedicht is als Meander Klassieker in 2009 besproken door Wim Kleisen.

Kopland meldt dat hij nooit kapot was van het gedicht, maar dat hij na herlezing de strekking wel beter begreep. Zo komt hij tot de conclusie dat het eigenlijk niet over de brug bij Bommel ging, maar over een vrouw die psalmzingend bij het roer staat van een voorbijvarend schip:

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ‘t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

Desondanks vond Kopland De moeder de vrouw nog steeds geen geslaagd vers. Die notie deelde hij met A.L. Sötemann, die in Over poëtica en poëzie tot hetzelfde oordeel kwam. Het gedicht heeft een lange inleiding van acht regels en zou eigenlijk van onder naar boven moeten worden gelezen om beter te worden begrepen, waarop de conclusie volgt dat de brug bij Bommel een metaforische brug is die de dichter verbindt met zijn eigen verleden, in casu het nostalgische verlangen naar een verloren moeder (in Nijhoffs ogen de ideale vrouw, volgens Maarten Doorman in de NRC van 21 september 2023). En dat de lange inleiding op de juiste manier ontregelend werkt.

Maar dat is dan ook de enige lof die Kopland het vers toezwaait. Want: ‘Mij hindert een zekere geforceerdheid, een houterige breedsprakigheid, die met de dwang van het rijm, het ritme en de regellengte te maken lijken te hebben’.

Kopland is het dan ook niet eens met de positieve analyse van Sötemann, die De moeder de vrouw ondanks alle gebreken een ‘gaaf, volledig coherent en complex gedicht’ noemt. Want ja die lange inleiding! Wie van boven naar beneden blijft lezen, kan alleen de onbeholpenheid ervan zien, zo schrijft hij met enige vastberadenheid tegen het (vermeende) betere weten van Sötemann in. En los daarvan: kan een mens een schip bevaren? Of bevaart een schip een rivier? En stond die vrouw bij of aan het roer?

Al deze overwegingen gaven Kopland voldoende munitie om over Nijhoff heen te gaan, om een beter vers over de brug bij Bommel te schrijven. Als argeloze lezer denk je dan: hij gaat een typisch Koplands gedicht maken over een ijzeren brug, maar dan blijkt de meester uit Glimmen toch iets anders in petto te hebben: een sonnet (jawel!) over de nostalgische herinnering aan een niet daadwerkelijk, maar wel de facto verloren moeder:

De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien.
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg; als keek zij naar de overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

– toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in de godvergeten eenzaamheid –
misschien zou ’t goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in ’t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn gelofte na te komen, haar te bewaren.

 

Of de NRC blij was met de inzending en het gedicht plaatste? De historie vermeldt het niet (of is mij ontgaan) en Kopland laat zich er in Twee ambachten niet over uit. Maar wat een gedicht.

 

 

Bronvermeldingen:

  • H. van den Hoofdakker alias Rutger Kopland: Twee ambachten (Uitgeverij Van Oorschot, 2003)
  • Rutger Kopland: Tot het ons loslaat (Uitgeverij Van Oorschot, 1997)
  • L. Sötemann: Over poëtica en poëzie (Uitgeverij Noordhoff, 1985)
  • Maarten Doorman: De moeder was voor dichter Martinus Nijhoff toch echt de ultieme vrouw (NRC van 21 september 2023)

Foto’s:

  • © Neerlandistiek
  • © NRC

     Andere berichten

Het jammerhout van de dichters

door Hans Franse     Onlangs vertelde Yvonne Keuls (wat een vitaliteit en geheugen op haar 92ste jaar) op een typisch Haags...

Slapen als een ladder in een boom

door Rogier de Jong   Je ogen smelten in hun duister licht. Je koude haar is een doorwaadbaar weefsel en op je nauwelijkse lippen...