LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Yanaika Zomer – U heeft nog 43 ongelezen gedichten

8 apr, 2024

Taal vanuit de hinderlaag

door Peter Vermaat




Wie de titel van Yanaika Zomer’s debuutbundel opvat als een lichtvoetige verwijzing naar een – eenvoudig te verwerken – beperkte hoeveelheid ongelezen berichten, misrekent zich. Weliswaar is er een grote variatie in zowel de lengte als de zeggingskracht van de 43 gedichten in U heeft nog 43 ongelezen gedichten, ze laten zich zeker niet allemaal na een vluchtige kennisname naar de status ‘gelezen’ omzetten. In de eerste plaats is Zomer een goochelaar, nee een buikspreker, nee een Houdini met de taal. Zelden heb ik per vierkante centimeter meer betekenisbuitelingen moeten maken en heen- en teruglezen om de acrobatiek stroboscopisch te kunnen volgen:

Schuldeiser

Ze verhoudt zich zelden nog tot de soldaat.
Soms, op seringendagen,
kruipt hij kringelend haar neus in,
terwijl ze fietsend terug is wie ze was die dag.
Ze trapt hem weg, tegen de klippen op. Een boogbrug,
hij heeft niets in haar te zoeken.

Maar als ze kouder is dan anders
en zich klein slaapt aan het voeteneind
waar geen vingertoppen komen,
dan weet ze dat hij binnen is. Dat ze terug moet
naar eerder, de trap moet vinden,
een voordeur die ze was vergeten en hem roepen moet.

‘Soldaat! Doe open! Ik heb nog iets van jou.’
Dan denkt ze hem zijn jasje terug – De strepen
die ze niet verdiend had, de epauletten
te groot voor knokig meisjesbot,
alsof ze daarmee kan ontruilen wat gegeven is –
en legt hem wroeging in de mond.

Misschien, als ze snel genoeg is,
de deur sluit voordat hij de trap afdaalt
en haar lakens vindt, lukt het deze keer
de schuld te laten waar die ligt.

[p. 11]

Het begint al met de titel. Een schuldeiser is iemand aan wie je een schuld hebt en die van jou de afbetaling eist. Dat is de eerste laag, maar die gaat al snel over in de gekantelde betekenis, namelijk iemand die van jou eist dat je je schuldig voelt. En dat is wat de ‘zij’ in het gedicht ervaart. Het heeft alles om je steeds weer terug te lokken naar herlezing, naar het meervoudig gebruik van ‘trappen’, naar prachtige beeldende woorden als ‘seringendagen’, ‘zich klein slaapt’ en ‘ontruilen’, naar de klankherhalingen die het geheel het karakter geven van een bezwering, een verhaal uit de donkere diepten van de overlevering als een grimmig sprookje. Deze taal uit de onderlaag wordt taal uit een hinderlaag, een onaangename zweem die je dwingt beelden te zien en aan dingen te denken die je weerzin opwekken. Dit is wat poëzie met de lezer moet doen: het aanraakbaar maken van de onzegbare onderlaag, waarbij het schuren mag, splinteren en splijten. De mooiste gedichten laten de lezer liefst ontredderd achter.

Er is veel virtuositeit in deze bundel, hier en daar soms net iets teveel. Een overdaad aan klankherhaling brengt schade toe aan de natuurlijkheid. Ook al is het verleidelijk om passages zo te laten als ze in je kop klonken omdat ze je ontegenzeggelijk blijven bevallen, dan nog. Of dan juist. Opzichtig niet rijmen kan sterker werken dan wel. Maar ook dat pigment blijkt aanwezig op Zomer’s palet. Het beste komt Zomer op dreef wanneer er, bewust of onbewust, geput wordt uit een diepere laag, die tegelijk meer duister is en minder uitnodigt tot duiken, maar de lezer door zijn eigen gewicht onweersprekelijk meeneemt:

Nachtverblijf

Ik heb om ons een huis gedicht.
Het ligt op palen aan een meer (dan ik mag willen).
Ik schilderde kozijnen groen
en zette tegels in glazuurgebakken blauw.
Het kreeg aan alle kanten ramen (die uitkijken naar jou).
Ik zweeg je van het dak, zodat niemand het zou vinden
en binnen dringt een wingerd zich in bovenkamers op.
Ik heb om ons een huis gedacht.
Ik wacht er boeken uit en glazen leeg,
ik veeg er moed bijeen, die verstrooid lag door mijn dag.
Ik lach in bed om de dingen die je zei
en val in slaap voordat je daar.
Vannacht schuif je zacht tussen de lakens.
(Ademt gruiziglieve zinnen in mijn haar.)
Ik weet niet waar je bent als ik weer opsta
of wanneer je terug zal komen.
Zolang je meerkeert, wil ik wonen
in ieder uitgesteld vertrek.

[p. 36]

Al meteen in de eerste regel, bij ‘om ons’ wordt de ondergrond van betekenis in beweging gebracht. Het huis wordt zowel ‘om ons heen’ als ‘vanwege ons’ gedacht en gedicht (dat laatste zowel zonder kieren als door middel van taal) en ook de ‘bovenkamers’ spreken tot de verbeelding. Aardig is het ritmische en rijmende ‘vinden zou’ met opzet omzetten naar ‘zou vinden’, het opzettelijke homofone ‘ik lach in bed’ en gewoonweg prachtig is de tuimeling van ‘(…) zodat niemand het zou vinden / en binnen dringt een wingerd zich in bovenkamers op.’, waarbij ‘binnen dringen’ en ‘opdringen’ zich inderdaad als een wingerd in en om elkaar wringen. Ik moest onwillekeurig denken aan Bernini’s beeld van Apollo en Daphne (hoewel zij verandert in een laurier en niet in een druivenstam). De dichter droomt, de dichter bouwt een woning voor een samenzijn dat nooit (of nooit meer) gebeuren zal, maar ‘meerkeert’ of ‘weerkeert’ (de m is een op zijn kop gezette w).

Voor deze bundel iets wat me zelden overkomt: te veel gedichten die geciteerd willen worden, omdat ze stuk voor stuk bijdragen aan de waarheid die gezegd moet worden, namelijk dat Yanaika Zomer een dichter is die de lezer met klauwen van taal vastgrijpt en verpulvert ‘als herfstblad / in een knoestige vuist.’ (‘Poezie Galore’, p. 4/5). Is daarmee dan alles gezegd? Zeker niet. Er is geen perfectie dan in de verbeelding en ook deze debuutbundel toont hier en daar een vlekje. Korte gedichten als ‘Per seconde wijzer’ op p. 54 of ‘Einde dag’ op p. 46 zijn teveel niemendalletjes om hier een plekje te verdienen, het alomtegenwoordige sprekerige ‘je zal’ en ‘je kan’ zou door een goede redacteur zijn weggevijld en ook de vrijwel alomtegenwoordige meervoudige duidbaarheid van de titels van de gedichten begint na verloop van tijd op een kunstje te lijken en daarmee wat te irriteren.

Ten slotte een mooi voorbeeld van suggestie, waarbij het er niet toe doet of het gaat om spiegeling, gewenst gezelschap of een werkelijk samenzijn:

Mooie rooie

Dansen we de nacht weg
in een manwerend krachtveld.
Ze mogen wel kijken, maar niet te dichtbij.
Ze is van mij, ik ben de wilde hare. Nooit meer kwijt,
geen schuld, geen spijt, zusters in de zonde.
Twee vlinders in één buik en aan een half woord
genoegens heimelijk gedeeld.
Heersen we onverdeeld over de vloer.
Dansen we niet hetzelfde en toch elkaars gelijken.
Vergeten dat ze kijken,
meten twee harten dezelfde maat.
‘Het is al laat’, zegt zij. En we lachen.
Want beter laat dan nooit meer dit.

[p. 26]

Aan het einde en onder de streep is en blijft daar de poëzie. Taal is een daad met schaduw, nagalm en afdronk. En daarom gaat het.
____

Yanaika Zomer (2024). U heeft nog 43 ongelezen gedichten. Uitgeverij Proces-Verbaal, 61 blz. € 18,50. ISBN 9789083041858

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...