LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Hier leit Poot…

26 mei, 2024
door Wopke van der Lei

Het moet rond de eeuwwisseling zijn geweest dat ik de fiets nam om de boerderij van vader Poot aan de polderweg van Abtswoude naar Delft op te sporen. Vader Cornelis Poot had met tegenzin en verbazing moeten vaststellen dat zijn zoon Hubert Kornelis rond 1720 behoorde tot de bekendste dichters van Nederland. Ongekend, een jongen van eenvoudige komaf, leerling van de boerenschool van Schipluiden, zonder klassieke opleiding dus, had zich in korte tijd ontwikkeld tot een veel gevraagd en populair dichter. Er kwamen zelfs dagjesmensen per rijtuig een kijkje nemen bij de boerderij. De combinatie dichter-boerenzoon sprak tot de verbeelding.

Wie er vandaag het internet op naslaat constateert dat Poot allerminst vergeten is. Het predicaat ‘meest bekende’ siert (terecht of onterecht) nog steeds zijn naam. Zelf ken ik niemand die Poot nog leest, maar dat geldt ook voor veel andere dichters. Zijn huidige naamsbekendheid is hoe dan ook opvallend.

Ik stond op een camping nabij Delft, de kampeeruitrusting uitgeladen, de tent opgezet, de kinderen in de zandbak. Met Poots ‘JAKOBA tradt met tegenzin (…)’ in het hoofd kon de zoektocht een aanvang nemen. De eerste de beste passant aan de Abtswouderweg wist de juiste plek, en sprak over de dichter alsof hij zijn buurman was. Zelf voelde ik mij verbonden met mijn achttiende-eeuwse voorgangers die dezelfde tocht ondernamen. ‘Ons verlichtte een zelfde hemeltrans,’ dichtte Poot.

Er waren bewoners aanwezig, de eigenaars waren evenwel met vakantie. Toegang tot het huis kon men mij niet verschaffen, maar gaande het gesprek ontwikkelde zich een interessante gedachtewisseling met de gestorven Poot als stralend middelpunt. Zijn afkomst, zijn werk, zijn liefdesperikelen, zijn tragische levensgeschiedenis, dit alles passeerde op een zonnige zomeravond de revue midden in de polder tussen Delft en Schiedam.

Het perceel bleek in bezit te zijn van een kunstenaarsfamilie. De oppassers zochten nog een manier om hun dankbaarheid te tonen. Of een citaat van die Poot niet op een gevelsteen kon? Mijn suggestie om de vijfvoetige jambe: ‘De kunst maect goôn van sterfelyke menschen’ daarvoor te gebruiken, zou in overweging worden genomen. Die regel komt voor in Poots debuut van 1716 en zou zeker niet misstaan op de gevel van wat ooit zijn ouderlijk huis is geweest. Dat Poot later werd verweten ‘door de natuur gevormd, maar door de kunst bedorven’ te zijn, deed daar wel iets aan af, maar over criticus De Clercq spreekt niemand meer. Het contrast met Bredero’s regel ‘Het schoone van natuur passeert doch alle const’, haalde ik ook nog even aan.  In honderd jaar veranderde er niet zo veel, maar van een accentverschil is wel degelijk sprake.  Ik nam afscheid met het welgemeend advies om de spelling nog even te controleren. Dat zouden ze zeker doen. Of Poots pentameter de voorgevel heeft gehaald, betwijfel ik, maar het was een leuk idee.

Poot was in zijn eigen tijd populair. Hij had er trouwens veel voor over om in de smaak te vallen en stak veel tijd in bestudering van de klassieke mythologie, een terrein waar hij een behoorlijke achterstand had in te halen. Zijn werk puilt uit van de goden; ingetogenheid op dat gebied had hem beslist gesierd. Maar de gedichten werden uitstekend ontvangen. Poot kon zelfs leven van de opbrengst van zijn dichtwerk. Hij verhuisde rond 1723 naar Delft, waar hij zich vestigde als dichter. Daar begon hij echter al snel te kwakkelen met zijn gezondheid en de liefde liet hem ook al in de steek. Jarenlang had hij vergeefs getracht burgemeestersdochter Neeltje ’t Hart aan zich te binden, maar standsproblematiek speelde hem parten. De dichter raakte aan de drank, zijn werk leed eronder en hij kon het uiteindelijk als kleine zelfstandige niet bolwerken. Poot keerde terug naar de polder. Twijfelen aan zijn talent deed hij niet, maar wel aan zijn fortuin. Neeltje was al bijna afgeschreven als oude vrijster toen haar vader alsnog toestemming gaf voor het huwelijk. Het is niet goed afgelopen. Het huwelijk werd na korte tijd gezegend met dochter Jakoba, maar het kind werd niet ouder dan dertien dagen. Haar overlijden leverde de Nederlandse letterkunde een van de meest oorspronkelijke en ontroerende funeraire gedichten op. Poot zelf ging steeds meer achteruit en stierf binnen een jaar na zijn zwaarbevochten huwelijk, 46 jaar oud.

Opmerkelijk is wel dat het gedicht waarmee Poot moeiteloos de eenentwintigste eeuw heeft gehaald elke klassieke verwijzing mist. Misschien lag daar wel zijn grootste kracht: een glasheldere, boeiende stijl van schrijven, wanneer hij zich wist te beperken. De zangberg op was een droeve tocht. Het werd Poots laatste gedicht:

Op de dood van mijn dochtertje

JAKOBA trad met tegenzin
Ter snode wereld in;
En heeft zich aan het end geschreit,
In haar onnozelheit.
Zij was hier naeu verscheenen,
Of ging, wel graeg, weêr heenen.
.          De moeder kuste ‘t lieve wicht
Voor ‘t levenloos gezigt,
En riep het zieltje nogh te rug:
Maer dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
By Godts verheugde schaeren.
.           Daer lacht en speelt het nu zoo schoon,
Rontom de hoogsten troon;
En spreit de wiekjes luchtigh uit,
Door wee noch smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons ‘t klagen.

Poots zeggingskracht overtuigt op dezelfde, muzikale wijze in het funerair octaaf, bedoeld als epitaaf voor zijn moeder:

 

Grafschrift

Dees zerk bedekt het kout gebeent
van KATHARYN, die eêl gesteent
noch gout noch rijk gewaet
maar deugt droeg voor sieraet.
Zy wert van vrient en maeg beschreit
omdat d’ oprechtheit bij haar leit
en zedigheit en trou.
Men eer’ de waerde vrou.

 

Interessant blijft de vraag of Poot door de jaren heen zijn reputatie ook zonder deze smartelijke biografie had behouden. Zijn werk is in de loop der jaren heel verschillend beoordeeld: eind negentiende eeuw plaatste dr. Jan ten Brink hem in het rijtje van de middelmatige en kleine dichters: ‘(…)Buitengewoon begaafd en misschien daarom overschat omdat veel van zijn verzen stijf en gekunsteld zijn.’ Vijftig jaar later was professor Jan Walch positiever, maar ook hij wees erop dat de ‘deftige geleerdheid’ van zijn tijd Poot als dichter schade heeft toegebracht. Veel later plaatste Jacques Bloem hem in het rijtje Dullaert, Luyken en Leopold, een eerbetoon dat maar weinigen ten deel valt. En tegenwoordig? Poot wordt nauwelijks meer gelezen. Jammer, want gedichten als Akkerleven, Op mijn huwelijk, het (tweede) Grafschrift (voor zijn moeder,) Kerkenvrede, Op de roomsche pauzen, Nacht, Winter en natuurlijk Op de doot van myn dochtertje, kunnen de tijd zondermeer trotseren als Poot door lezen tot leven wordt gebracht.

 

afbeelding © Wikipedia

     Andere berichten

Als de zomer eens komt

door Hans Franse   Ik houd erg van ‘petite histoire’, de geschiedenis van kleine mensen soms in een grootse tijd. Wij kennen dan de...

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...