LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Ik zie het, met een groote ontroering

2 jun, 2024
door Jan Loogman

 

Toen we over vriendschap praatten, haalde een van ons de regel aan die in Amsterdam op het Homomonument te lezen is: Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen. Een regel uit het sonnet Aan eenen jongen visscher  van Jacob Israël de Haan, waarvan de laatste drie regels luiden: Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad./ Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond /En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.

Gaat het sonnet over vriendschap, vroegen wij ons af. Of eerder over liefde of verliefdheid waar niet aan mag worden toegegeven? Ja, dan blijft het verlangen groot.

In de dagen na ons gesprek las ik de biografie die Jan Fontijn schreef over De Haan. Hij blijkt niet een man uit één stuk geweest te zijn. Hij legde gemakkelijk contact en kreeg even gemakkelijk onenigheid met mensen die dachten dat zij zijn vrienden waren. In literair Nederland werd hij in 1905 bekend door zijn roman Pijpelijntjes die hem zijn rubriek in het socialistische dagblad Het Volk kostte omdat de hoofdredacteur het ongepast vond dat zijn medewerker weliswaar niet in zijn krantenrubriek, maar toch openlijk over homoseksuele liefde schreef. In de jaren daarna maakte De Haan zich los uit de socialistische kring en keerde meer en meer terug naar het Joodse geloof waarin hij als kind was opgegroeid. Hij werd de dichter van het Joodse lied. In zijn gedichten bracht hij nogal eens wroeging over zijn homoseksualiteit ter sprake: …   Maar van de Wet heb ik mijn ziel ontbonden, / En dacht in overmoed mij zalig-vrij, / Zoo werd ik slaaf van hartbrekende zonden, / Mijn hart boog gedwee voor hun heerschappij. In 1919 emigreerde De Haan als actief zionist naar Palestina dat na de Eerste Wereldoorlog loskwam uit het Turks-Ottomaanse rijk en onder tijdelijk Brits bestuur werd gesteld. Met de Balfour-verklaring beloofde de Britse regering aan de Joden een ‘nationaal tehuis’ in Palestina met inachtneming van de burgerlijke en religieuze rechten van niet-Joden. De Haan kwam midden in het gewoel terecht dat zich afspeelde tussen Joden, Arabieren en Britten en ook nog eens tussen verschillende Joodse groepen onderling. Hij nam afstand van de zionistische beweging en had veel contacten met orthodoxe Joden die anders dan de zionisten niet streefden naar een eigen Joodse staat. Ook had hij goede contacten met Arabieren. Hij woonde in een tuinhuis bij de woning van een welgestelde Arabische familie en was intiem bevriend met een van de volwassen zoons. ‘Wij,’ schreef hij – doelend op het Joodse volk – ‘wij zijn wel een volk zonder land, maar Palestina is niet een land zonder volk.’ Over zijn leven in Palestina schreef hij voor het Algemeen Handelsblad en The Daily Express. Vanwege de vernietiging van Gaza, die nu gaande is, vielen me bijdragen op die De Haan in januari 1921 schreef toen hij Gaza bezocht. Hij komt er aan, een ‘chawadja’, dat wil zeggen een westers geklede heer, samen met zijn Arabische vriend Abdoel Salaäm, een ‘effendi’, een welgestelde Arabier. ‘Er is ook een zwarte knecht,’ schrijft De Haan. ‘Dat ziet men toch niet alle dag. En de zwarte knecht is nog wel een Hadj…’ Opgewekt schrijft hij verder, onder andere over de jonge zonen van de Joodse hoteleigenaar, die geïnteresseerd zijn in de paarden van de reizigers. ‘Josef en Benjamin zien dadelijk, dat dit prachtige paarden zijn. … Hadj Achmed … verklaart, dat hij veel te ziek is, om twee paarden te zadelen. Maar de Joodsche jongens lachen hem uit. Zij hebben geen zadel noodig, geen teugel en geen toom. Zij nemen de paarden. Zij rijden heen. Ik zie het met een groote ontroering.’  Zonder terughoudendheid schrijft De Haan hoe de knecht het geloof van de twee jongens vervloekt, als zij zo zorgeloos op de paarden wegrijden. En ook in andere stukken beschrijft hij wat hem opvalt aan het gedrag van mensen, of het nu Britten, Arabieren of Joden zijn. Zijn stukken getuigen niet van angst, maar zijn vol leven. Alsof het wel goed zal komen met al die verschillende mensen in dat ene land.

In juni 1924, nu honderd jaar geleden, vermoordt een Joodse zionist Jacob Israël de Haan, de man van de dichtregel over het mateloos verlangen. Ik ken hem nu als een man die over Gaza en zijn diverse bewoners schreef omdat zij zo vol leven waren.

 

afbeeldingen:

Homomonument Amsterdam
Jacob Israël de Haan
Gaza begin 20e eeuw

     Andere berichten

Hier leit Poot…

door Wopke van der Lei - Het moet rond de eeuwwisseling zijn geweest dat ik de fiets nam om de boerderij van vader Poot aan de polderweg...

Als de zomer eens komt

door Hans Franse   Ik houd erg van ‘petite histoire’, de geschiedenis van kleine mensen soms in een grootse tijd. Wij kennen dan de...

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...