LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Een Ierse dichter en zijn Hollandse neef

31 aug, 2025
door Jan van der Vegt

 

 

foto © Literatuurmuseum, schilderij Carel Willink, 1948

 

Toen hij in 1948 zestig jaar werd, vonden zijn vrienden het nodig de dichter A. Roland Holst tot Prins der Dichters uit te roepen. Een eretitel die tot dan voornamelijk aan Vondel was toegekend. Was hij er verguld mee? In een vierregelig versje gaf hij antwoord aan ieder die zich dat afvroeg: ‘Leeg en gehuldigd / kwam hij thuis, / vermenigvuldigd / tot een muis.’

Prinsen vragen erom van hun voetstuk gestoten te worden. Toen het dichterschap van Roland Holst in de jaren vijftig in een impasse geraakt was, lieten de aanvallen daarna niet al te lang op zich wachten. Criticus Fens, die het in de jaren zestig voor het zeggen kreeg, zette de toon door de poëzie van Roland Holst tot dodo-poëzie te verklaren. Net als die uitgestorven vogel zou zij aan haar eigen gewicht ten onder zijn gegaan. En men kon herhaaldelijk de mening verkondigd zien dat die poëzie van Roland Holst weinig meer voorstelde dan een navolging van het werk van de grote Ierse dichter William Butler Yeats (1865-1939), Nobelprijswinnaar in 1923. Roland Holst had die opinie deels aan zichzelf te wijten, want in zijn geschrift Eigen achtergronden (1945) heeft hij het over de diepe invloed die Yeats op hem heeft gehad, zonder dat nader toe te lichten.

Ik ontdekte Roland Holst in 1951, 1952 in de rijke bloemlezing die bij het vak Nederlands op mijn hbs in Groningen voorgeschreven was (Nederlandse schrijvers en schrijfsters, van L. Leopold). Gedichten die ik half begreep (maar dat is juist fascinerend) en het meeslepende proza van zijn bewerking van de Ierse sage over Deirdre en de zonen van Usnach. Ik wilde meer van hem lezen en leraar Albert Sassen leende mij zijn vierdelige Verzamelde werken (1948) uit. Toen ik daarin over Yeats las, ging ik ook naar diens werk op zoek. Ik vond een en ander in de Openbare Leeszaal.

 

foto © Wikipedia, Alice Boughton

 

Van Yeats had ik nooit eerder gehoord, maar ook hij fascineerde me. Wel moest ik wennen aan zijn naam, waarvan je verwachtte dat die rijmde op Keats. Maar nee, het was onze eigen dominee-dichter Beets aan wie die eer toeviel. De verklaring, zo kwam ik later te weten, zou in een ver verleden liggen, toen de voorouders van de dichter nog Yates heetten en iemand hun naam boekstavend de e op de verkeerde plek zette. Een lijder aan dyslexie? De dichter was overigens ook slecht in spelling. Die letter bleef zo staan, maar de naam bleef klinken alsof hij op Beets rijmde. Yeats en Beets, bien étonnés de se trouver ensemble.

Het spreekt vanzelf dat van die diepe invloed van Yeats, die grote bewondering, een en ander terug te vinden is in het werk van Roland Holst. Hij vertaalde verscheidene gedichten van hem en het drama The Countess Cathleen. Yeats klinkt soms mee in regels van hem. Zijn ‘koud en hartstochtelijk’ echoot het ‘cold and passionate’ van Yeats. En de Homerische Helena bij Holst heeft trekken van die bij Yeats.  Zo is er meer, al sloeg Jacqueline Bel de plank helemaal mis toen zij in Bloed en rozen (2015), haar boek over de literatuurgeschiedenis van 1900-1945, beweerde (p. 341) dat Holsts bundel De belijdenis van de stilte begint met een vertaling van Yeats. Die is dan kennelijk niet als zodanig verantwoord, wat op plagiaat neer zou komen. Maar dat kwaad is de prins niet aan te rekenen. Er staat alleen een regel van Yeats als motto, onvertaald, boven het eerste gedicht. Roland Holst komt er toch al niet zo goed af in Bels geschiedschrijving. Haar hoofdstuk over hem is getiteld: ‘Roland Holst: de prins der dichters?’

Vooral waar beide dichters stof uit de Ierse mythologie en sagenliteratuur verwerken, springen grote verschillen in het oog. De sage over Deirdre, haar minnaar Noisa en de oude koning Concobar inspireerde Yeats in het drama Deirdre (1907) tot iets heel anders dan het populair geworden Deirdre en de zonen van Usnach (1920). Het mythische verhaal over Etain die vanuit de ‘Otherworld’ in het aardse bestaan verdwaald raakt, gaf Yeats het gedicht The Two Kings in en Roland Holst het verhaal Achtergelatenen. Beide verschillen als dag en nacht, doordat bij Holst gekozen wordt voor een onsterfelijk bestaan buiten onze werkelijkheid, terwijl bij Yeats de liefde haar kracht ontleent aan het besef van sterfelijkheid.  Zulke verschillen zeggen meer dan alle overeenkomsten. Ze staan niet los, denk ik, van het onverklaarde feit dat Roland Holst ervan afgezien heeft Yeats te ontmoeten, terwijl hij zeker twee à drie keer daartoe de gelegenheid had. Was hij bang een illusie te verliezen?

De poëticale relatie tussen Roland Holst en Yeats bleef mij bezighouden. Ik vertaalde gedichten van hem en twee toneelstukken. Eén van die vertalingen, het droomspel Beschaduwde wateren (The Shadowy Waters, 1911) werd in 1961 door Groningse studenten opgevoerd. En ik wijdde aan de invloed van Yeats op Roland Holst in 1963 mijn afstudeerscriptie en daaraan werkend had ik een keer de gelegenheid het de dichter zelf te vragen. Hij zag Yeats als een oudere neef, zei hij. Dat was een goede karakteristiek: ze hadden trekken gemeen, maar elk had zijn eigen persoonlijkheid. De scriptie werd een basis voor mijn boek De brekende spiegel (1974), over ‘ontwikkeling, samenhang, achtergronden’ bij Roland Holst.

In 1995 verscheen Yeats in Holland van Roselinde Supheert. Zij schrijft over ‘The reception of the work of W.B. Yeats in the Netherlands before World War Two’. Roland Holst komt vanzelfsprekend uitgebreid ter sprake en Supheert signaleert twee standpunten: het afzwakken van de invloed, en het omgekeerde. Degenen die zich aan het eerste bezondigen zijn volgens haar: Van Eyck, Vestdijk en Van der Vegt. Van de laatste wordt de bron niet vermeld, al mag Van der Vegt niet klagen want hij bevindt zich in goed gezelschap. P.N. van Eyck was zeer belezen in Yeats en correspondeerde ook met hem, en Vestdijk wist meestal ook wel waar hij het over had.
Hoewel Supheert geen analyse van de invloed van Yeats op Holst wil geven, is het duidelijk dat ze het met het afzwakken ervan niet eens is. Ze citeert met impliciete instemming een ongepubliceerde bron die Holst een dichter ‘in the wake of Yeats’ noemt (p. 167).

Haar boek is belangwekkender als het gaat over de Nederlandse productie van een spel voor dansers van Yeats met ontwerpen en maskers van Hildo Krop, of over de Nederlandse reacties op politieke problemen in Ierland. Er blijkt uit dat Yeats voor de oorlog geen breed gelezen en bestudeerd auteur was. Dat is hij na de oorlog bij ons ook niet geworden, al trokken de vertalingen van J. Eijkelboom de aandacht. Maar wie leest tegenwoordig nog Roland Holst?

 

     Andere berichten

De eerste honderd (4)

door Wim van Til       Toch waren de bundels van Roland Holst en Gorter niet de eerste die ik in 1972 kocht. Mijn...