Arnout ter Haar (Amsterdam, 1959) is werkzaam als psychotherapeut en publiceert regelmatig over zijn werk in vakbladen.
In de periode 2000-2012 publiceerde hij twee romans (Brak en Lichtjaar) bij Uitgeverij Contact, en enkele korte verhalen. Op het gebied van de poëzie is hij een nieuwkomer; in mei 2025 debuteerde hij met drie gedichten bij Meander.
foto © Hans Hoekveld
komen kleurloze vissen
in groten getale
mijn wereld binnen
met holle blikken
en dikke lippen
zwemmen zij zwijgend
in zinloze kringen
–
Zij ogen onschuldig
maar ik ken hun intenties
dreigende bodes
van vrees en paniek
die het water doen stijgen
en mij overspoelen
naar adem doen happen
tot ik voel dat ik zink
rijg ik de tijd
die verstrijkt
aaneen
naai ik je kleding
tot een bonte deken
voor de nacht
die zwaar op mij drukt
en mij doet dromen
over al wat ooit was
stik ik de beelden
aaneen
tot ik ontwaak
rafelig
losgetornd
alleen
nemen plaats aan mijn tafel
nogal brutaal, want ongenood.
Mij is geleerd dat gastvrijheid
hoog in je vaandel moet staan
dus ik babbel een beetje
maak het gezellig
en schep nog eens op.
–
Na het dessert
weet ik niets meer te zeggen.
Iemand nog koffie?
Een cantate van Bach
op de radio redt mij
Ach wie flüchtig
ach wie nichtig.
Bij de eerste klanken
verdwijnen mijn gasten.
–
Maar morgenavond
dat weet ik zeker
komen ze terug
door roeien en ruiten
dwars door de voordeur
dringen ze binnen
vol van zichzelf
schuiven zij aan
en vreten mij leeg.


