Grootmeester in stijl en taal van de ander
door Anneruth Wibaut
–

–
Mij sprak de uitgave van deze bundel Nachttrottoir meteen aan: spannende zwarte silhouetten op de kaft, prettig formaat, ongebleekt papier. En dan de poëtische rijkdom binnenin. Ik kon niet ophouden met lezen en herlezen en moest mezelf vermanen dat ik ook een recensie diende in te leveren. Henkes bewerkte het gedicht ‘Nacht. Trottoir. Drogist. Lantaren’ van Aleksandr Blok zevenenzeventig keer in evenzoveel verschillende stijlen. Hij dicht met de stemmen van Herman Gorter tot Hadewijch, van Menno Wigman tot Babs Gons en vele anderen. De bundel bevat niet alleen parafrases van meer of minder bekende dichters, maar we vinden ook een ollekebolleke, een pantoum, limerick, dactylische hexameter, alsook gedichten geïnspireerd op een Beatles-liedje, een ballade en dergelijke. Zelfs een paar beeldgedichten ontbreken niet. Met dit werk sluit Henkes aan bij de traditie van de Stijloefeningen van Raymond Queneau.
Ik vond het een feest om al deze stijloefeningen te lezen en te raden wie of wat hier wordt geparafraseerd. De bundel levert in feite kant-en-klaar materiaal voor een spannende pubquiz over poëzie. Thuis ook goed te doen, alleen of met anderen, op de binnenflap staan de antwoorden. De bron voor alle stijloefeningen, het gedicht van Aleksandr Blok, staat op het achterplat:
Een voorval in Sint-Petersburg.
Nacht. Kou. Een drogist. Een straatlantaarn.
Een flits van inzicht. In de wereld, de mens.
Tijd en ruimte: opgeheven.
Een schicht van inzicht, aan de grond nagelend.
Iedereen is ik. Nu is hier. Altijd. Overal.
Verstommend, Verstijvend. Openbarend.
Niet in woorden te vatten.
Of toch?
In de map: stemmen, stemmen, veel stemmen.
Een kaleidofonie.
Het voorval door de mond van 77 dichters.
Van de eigenaar van de map ontbreekt elk spoor.
De elementen ‘Nacht. Kou. Een drogist. Een straatlantaarn.’ komen zeer regelmatig terug in de gedichten, maar niet altijd met letterlijk dezelfde woorden. Henkes laat zijn dichters graag nieuwe taal scheppen, zoals de Tachtigers en Guido Gezelle deden. En Herman Gorter, aan zijn naam voegt Henkes toe: ‘de sensitieve.’ Dus niet de bevlogen socialist, maar de maker van misschien wel het mooiste liefdesgedicht ooit, tevens de man die jonge meisjes, zoals mijn eigen grootmoeder, verleidde met zijn romantische klachten over hoe niemand hem begreep en ‘hoe je oogen zijn zoo vol licht’:
in de nacht
en ik roepte, roepte
maar geen die mij wacht.
–
Slechts het lantarenlicht
was mijn kleed,
Slechts de bliksemschicht
die vrieskou heet.
–
Hoe wriemelend meanderde
hier de stad,
hoe nooiteens-ooit veranderde
dit webomspannen rad.
–
In de gracht keek ik mijn ik
in de ziel,
hoe bevederd licht dit ogenblik
mij viel.
–
[Pag. 4]
Mooi, dat ‘nooiteens-ooit’, dat compenseert weer een beetje het lelijke ‘roepte’. En fijn dat er wordt ‘gemeanderd’. De nabootsing gaat zo ver, dat ook het inconsequente omgaan met interpunctie van Gorter is overgenomen.
Henkes werd vooral bekend door zijn vertaalwerk. Hij oogstte samen met Erik Bindervoet bewondering voor hun vertaling van Ulysses van James Joyce. Die las je, of je beweerde dat je hem gelezen had, als je mee wilde tellen als intellectueel. In het Engels natuurlijk, al was er vanaf 1969 een Nederlandse versie van John Vandenbergh beschikbaar. In 2012 kwam de eigenzinnige vertaling, of zeg maar gerust hertaling, van Henkes en Bindervoet uit onder de titel Ulixes. Het duo werkte ook samen aan het hertalen van, onder veel meer, Shakespeare, Bob Dylan en de Beatles. Solo bracht Henkes Russische kindergedichten van tijdens en na de Russische revolutie het Nederlands taalgebied binnen. Bijvoorbeeld de in versvorm geschreven sprookjes van Tsjoekovski, waaruit mij het personage ‘dokter Audoetzeer’ is bijgebleven.
Henkes en Bindervoet vertalen niet zomaar naar het Nederlands, ze verdiepen zich in de culturele omgeving van hun brontekst. Dat leidt ertoe dat ze zelfs wel eens vertalen wat er niet staat. Anders gezegd, om goed te hertalen heb je empathie nodig, het vermogen om je in te leven in een ander, in diens taal en cultuur. Henkes laat in zijn op 9 oktober jongstleden gepresenteerde bundel Nachttrottoir zien dat hij daarin een grootmeester is. Soms, zoals in onderstaande strofe, herkennen we Gerrit Kouwenaar al na het eerste woord, zie fragment:
gemaakt van schrootjeshout als proviand
men is een lamp voor rafelige schimmen
een stukje stoeps gesneden uit het loopje
–
[Pag. 14]
Henkes hanteert een rijk scala aan middelen waarmee hij persifleert, zoals woordgebruik en sfeer, zie de ‘rafelige schimmen’ hierboven, met rijm of sentiment. Onderstaande doet door de vorm en het metrum meteen denken aan de ‘Visser van Ma Yuan’ van Lucebert’. Hier zijn van het origineel nu eens niet de woorden ‘trottoir, kou en drogist’ bron voor de nabootsing, maar ‘nacht en licht’:
de nacht in schijnt het licht verloren
en leunend op de wind sta ik
–
licht wordt nacht wordt mist geboren
mist wordt nacht wordt licht tevoren
maar leunend op de wind sta ik
–
[Pag. 23]
Ik onderdruk de neiging om nog veel meer voorbeelden te citeren. Wat te denken van ‘Iedereen is ik. Nu is hier. Altijd. Overal.’ Is dat niet vintage Jules Deelder? Oh nee, deze frase stond al in het origineel van Aleksandr Blok. Maar elders in de bundel wordt Deelder wel degelijk geëerd met een bewerking. Ook vertaalcollega Erik Bindervoet verdient vanzelfsprekend een persiflage: ‘Voor een zwangerschapstest voor mannen / sta ik ’s nachts op de stoep voor de drogist. / Uit het licht van de lantaren vliegen vogels.’ Omdat in het vervolg van het gedicht de typografie een stempel drukt, laat ik het hierbij en voeg nog een mooi regeltje smibanees uit het eerste gedicht in de bundel toe: ‘En licht, bro, orzjie morsoe wit.’
Nachttrottoir biedt virtuoos taalspel, humoristisch en respectvol toegepast. En door alle stijloefeningen is het ook een soort leerboek of naslagwerk voor dichters, je kunt er je kennis over alle poëtische stijlmiddelen, van vormvast en streng metrisch tot heel vrij, mee opfrissen. Ik eindig met de carnavalskraker, die gemaakt lijkt voor de dertigste verjaardag van onze Meander:
–
Leef nog twintig-dertig ja-haren
Niets verandert, hopeloos (paba-baram-pampam)
Ja, leef nog twintig-dertig jaren
Het blijft even bar en boos (bolleboos!)
–
D’r was ereis een dichter
Die was altijd verstrooid
Zei morgen als het avond was
En nu al was het nooit
–
En toen ie op een keertje
Stond voor de drogist
Toen was het midden in de nacht
Had-ie zich weer vergist
–
—–(refrein)
–
’t Was midden in de winter
Het vroor echt niet onzacht
Toen ging-ie in z’n nakie
Schaatsen op de gracht
–
Maar ach, hij zag het wakkie niet
En daar ging Bertus bloot
En eenmaal in het ziekenhuis
Zei die: Ben ik nu dood?
–
—–(refrein ad lib)
–
[Pag. 51}
____
Robbert-Jan Henkes (2025). Nachttrottoir. Uitgeverij Koppernik, 120 blz. € 21,50. ISBN 9789083535654



