door Jan Loogman
Mijn broers en zussen en ik praten over de lagere school waar wij ooit allemaal naar toe gingen. We vertellen anekdotes. De meester die in woede de deur van het klaslokaal dichtsmeet, waarna de ruit ervan in stukken op de grond rinkelde. De juffrouw die zo graag met de klas zong. De meester die mij voor lelijke driftkop uitmaakte nadat ik het oneens was met zijn correctie van mijn proefwerk. Geen goede beurt van de meester, zeg ik. ‘Zwak pedagogisch handelen.’
Dat laatste begrijpen mijn zussen en broers niet, als ik vertel wat de correctie inhield. De meester had het toch bij het rechte eind? Ik had een fout gemaakt, al hield ik vol dat ik me alleen maar vergist had en eigenlijk het juiste antwoord had willen noteren. Onoplettendheid kon mij niet worden aangerekend, was mijn standpunt. Een fout is een fout, vond de meester en toen ik luidkeels volhield, zette hij me als lelijke driftkop in de hoek. Wat kon hij anders doen, vragen mijn zussen. ‘Hij bracht je werkelijkheidszin bij.’ Ach, denk ik, hij had begrip kunnen tonen voor een jongen.
Ben ik die jongen? Het is een vraag die mensen telkens weer bezighoudt: ben ik die achtjarige die God aanbidt, terwijl ik intussen toch een overtuigd atheïst ben? Scoor ik daar die mooie goal uit een omhaal, ik die tegenwoordig met mijn handen mijn voeten nauwelijks kan aanraken? Ben ik die jongen die zich vergist en daardoor een fout maakt, terwijl hij de leerstof heus beheerst?
Dat ben ik, die jongen. Een gedicht van Toon Tellegen begint met precies deze woorden. De verteller in het gedicht beschrijft dat hij een jongen ziet, die op weg is naar de duinen. Hij ziet ook een leeuwerik en boterbloemen, hij vertelt dat hij in een sloot is gereden en dat de ketting van zijn fiets is gebroken, en dan: Ik wil die jongen strelen als ik thuiskom,/ mijn handen in mijn natte, zwarte haar,/ mijn lippen op mijn stijf gesloten mond. / Maar ik ben schuwer dan ik dacht/ en weet niet wie ik ben. / Ik loop voor mijzelf weg en verdwijn door een deur. / Ik zie die jongen niet meer terug.
Het antwoord op de vraag of ik die driftige jongen ben schijnt te zijn dat ik óók die jongen ben. In mij is het kind dat ik was, en net als Tellegen wil ik die jongen strelen als ik hem zie. Gelukkig gaat me dat goed af, al begrijp ik intussen het stellige oordeel van mijn broers en zussen en ook dat van mijn toenmalige meester. Ik ben immers dat kind niet meer.
Afbeeldingen:
1 en 3 © Pixabay
2 © Schoolbank
–




