LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Anneruth Mathilde Wibaut

6 dec 2025

‘ik word gelukkig van schrijven’

 

door Alja Spaan

 

 

foto © Geek Zwetsloot

 

Met mijn namen wilden mijn ouders een statement maken. Met het joodse Ruth eerden zij hun vermoorde vrienden, maar zo sec vonden ze dat wat kaal en daarom zetten zij er Anne voor. Al voor mijn geboorte maakte ik zo kennis met gevoeligheid voor de klank van het woord. En een flinke levensopdracht kreeg ik ook: met mijn tweede naam werd ik vernoemd naar mijn overgrootmoeder, Mathilde Wibaut Berdenis van Berlekom. Zij was voorvechtster van emancipatie, de sociaaldemocratie en goede literatuur voor kinderen. Met mijn achternaam maak ik dan nog eens deel uit van een familie vol bekende en minder bekende Wibauten, van Goghs en Witteveens.

Hoe kwam je in aanraking met poëzie?
Mijn jeugd was enerzijds verwarrend en onveilig. Dat kwam door het oorlogstrauma van mijn moeder, waarmee mijn broer en ik maar moesten zien te dealen. Wat er precies was gebeurd, werd strikt geheimgehouden. Anderzijds waren mijn ouders heel betrokken, ze lazen elke avond voor en ik had altijd boeken om een veilig toevluchtsoord in te vinden. Zij waren meesters in feest en plezier, bij de borrel met vrienden werd enige tijd wekelijks een gedicht van Het Schaap Veronica voorgedragen. Met sinterklaas werd groots uitgepakt met rijmelarij die soms dicht tegen de poëzie aan schuurde. En natuurlijk schreef ik in mijn puberteit larmoyante gedichten over hopeloze verliefdheden. De eerste bundels die ik kocht waren van Vasalis en Jan Hanlo.

Ik ben nooit met dichten gestopt, maar jarenlang was het onderdeel van mijn werk. Op de vrijeschool, waar ik dertig jaar voor de klas stond, maakten we gebruik van rijm en ritme voor het inprenten van leerstof in het geheugen. Van grammaticaregels tot oorsprong en delta van de Rijn heb ik in versvoeten gevangen. Ook kregen de kinderen aan het eind van het jaar een gedicht waarin zij in een metafoor zichzelf en hun ontwikkeling konden herkennen. Ik heb daardoor elk metrum goed geoefend, van trochee, jambe, anapest en dactylus, tot complete alexandrijnen, wat maar het beste bij de betreffende leerling paste. Wel heb ik daar een lichte allergie voor metaforen aan overgehouden.

Hoe ben je bij Meander terechtgekomen? En wat doe je bij Meander?
Toen ik de laatste tien jaar voor mijn pensioen zelfstandig werkte als trainer mediation, communicatie- en presentatietechnieken, kreeg ik meer vrije tijd. Die vulde ik deels met dichten en ik dong ook maar meteen mee naar de titel van stadsdichter van Haarlem. Zo kwam ik in contact met de Haarlemse Dichtlijn. Ik trad toe tot het bestuur daarmee groeide mijn belangstelling voor het dichterslandschap. Meander viel mij is positieve zin op. Wat mij beviel was dat er elke week zeven artikelen te lezen waren. Dat kan ik beter behappen dan papieren tijdschriften met steeds een stortvloed aan gedichten. En daardoor leerde ik steeds weer nieuwe dichters kennen. Na een paar ontmoetingen met Alja Spaan vroeg zij mij om recensent te worden.

Wat vind je leuk aan deze klus?
Ik vind het heerlijk om steeds een maand of langer met een bundel te leven. Ik stel me er een eer in om altijd ook de pareltjes te benoemen, ook als ik de gedichten onder de maat vind of ronduit slecht. Dat is misschien een erfenis uit mijn jaren voor de klas, waar het een doodzonde is om kinderen alleen maar af te breken. Ook vanuit de Haarlemse Dichtlijn merk ik dat het benoemen van de lichtpuntjes in verder misschien volledig clichématig werk leidt tot verbetering. De meeste dichters willen graag goede dichters worden en waarom zou je ze daar als recensent of als luisteraar niet een handje bij helpen met opbouwende kritiek?

En ik word gelukkig van schrijven. Als ik de woorden zoek die zo precies mogelijk uitdrukken wat ik bedoel, geeft dat dezelfde bevrediging als toen ik vroeger de juiste toon vond waardoor leerlingen enthousiast naar me luisterden of mijn opdrachten uitvoerden. Ik schreef een prentenboek, (Slor!), een familiekroniek (Toen mijn vader mij maakte) en ik bezorgde met Rob Luckerhof de kampgedichten van Hellema (Als een mokerslag). Ik gaf ook twee dichtbundels uit in eigen beheer (Schiep hij ook mijn moeder en Toen mijn vader mij maakte). Naar aanleiding daarvan had Marten Janse een interview met haar voor Meander.

Hoe denk je over ons poëtisch klimaat?
Gelukkig wordt er in Nederland veel meer gedicht dan buitenstaanders weten. Er is een rijkgeschakeerd palet aan zondagsdichters. Die term gebruik ik, bij gebrek aan beter, als eretitel. Dat zijn de mensen die het gewoon niet kunnen laten om te dichten, ook als ze daar geen erkenning voor krijgen van uitgevers, recensenten of het grote publiek. Er bevinden zich onder hen dichters die het verdienen om te worden uitgegeven door de gerenommeerde uitgevers. Omgekeerd geven die soms dichters uit die zo’n podium niet verdienen.

Ik verbaas me er wel eens over dat ik avonden of middagen lang aandachtig naar de dichters kan luisteren. Ik ben niet geduldig en ook geen luisteraar, ook omdat ik een heel slecht gehoor heb. Het is dankbaarheid, denk ik, dat mensen zich binnenste buiten keren om het juiste woord te vinden voor hun waarnemingen en voor wat in hun ziel leeft. Het staat in schril contrast met mijn jeugd, waar het tot familiegeheim verstarde trauma van mijn moeder over alles een angstaanjagende sluier legde.

Wat betekent in dit verband een Dichter der Nederlanden voor jou?
Ik ben groot fan van Babs Gons en dus heel gelukkig dat zij de Dichter der Nederlanden is. Door haar taal van alledag, die ze glans verleent met haar gevoel voor ritme, heeft ze denk ik een groter bereik dan de meer cerebrale dichters die haar functie ook hebben bekleed. Bij de opening van het Festival van de Haarlemse Dichtlijn op Hemelvaartsdag dit jaar schiep ze een bijna tastbare aandacht bij het publiek. Dat is een geschenk, dat een zaal vol mensen zich even heel diep verbonden voelt en losgezongen van alles wat ons verdeeld houdt.

Wat mis je nog bij Meander?
We zouden denk ik wat mogen verjongen. Volgt bijvoorbeeld iemand in de redactie de talrijke gedichten die op Instagram verschijnen? Je zou jonge dichters kunnen werven als recensent, misschien in eerste instantie eenmalig, in een wisselrubriek. Ook gerichter vragen om werk in te sturen naar Meander aan de dichters die opvallen op de landelijke poëziepodia, de spoken word avonden en de slams. Vanuit de Haarlemse Dichtlijn ken ik er best een paar, maar die voelen zich niet zo aangesproken als ik ze op Meander wijs. Misschien hebben we een beetje een stoffig imago, alsof we in de vorige eeuw zijn blijven steken. 

Hoe typeer je je eigen werk?
Mijn gedichten zijn aan de zware en serieuze kant en meestal heel particulier. Ze gaan over mij en mijn tweedegeneratie problematiek. Maar op zo’n manier, hoop ik, dat anderen zich erin kunnen herkennen. Ter afwisseling schrijf ik pamflettistische verzen over actuele zaken, soms poog ik daar een rap van te maken. En een derde belangrijk onderdeel is het dichten geïnspireerd op vrienden of beeldende kunst. En daar stijg ik dan uit boven het particuliere. Onderstaand van alle drie een voorbeeld:

dichten

toen ik op eigen benen ging staan
vond ik geen grond
niet de bodem
die ik genaaid had
van moeders rokken
met precieze steekjes had ik
losse eindjes verbonden
dacht ik
maar
ik bleef vallen
zoeken naar naalden
naar garen
om het gat te vullen

ik ging dichten
bid de vijand tot vriend

we voelen ons machteloos
over het slechte en
het vechten van
de afgestompte mannen
met hun verschrompelde hart
die menen dat anderen
dood moeten en verkracht
alleen omdat ze
de ander zijn

wat we kunnen is
machtig bidden
tot onze voorouders
tot de zachte krachten
en wat we willen
meegeven aan de wind
het de engelen toeroepen

raak ze aan
de dolende mannen
wek hun hart
geef ze wat ze ontbeerden
zing tot ze
van de liefde die leeft
vind de mens
die onder wreedheid slaapt
bid de vijand tot vriend
Bij een schilderij van Griet Halbertsma

volledig veilig werd het nooit
het nest dat ik naaide
van scherven tot goud
het draagt me
en ik ook jou

     Andere berichten

Interview Ron Frinks

Interview Ron Frinks

‘Poëzie is een van de dingen die het leven zin geven.’ door Alja Spaan   foto © Marjon van der Vegt   Ron Frinks is 70 jaar. Na...

Interview Yasmin Namavar

Interview Yasmin Namavar

‘Als we poëzie als een ruimte zien: kijk dan of er nog een deur of raam in die ruimte zit.’   door Mirthe Smeets     Yasmin...

Interview Mahlu Mertens

Interview Mahlu Mertens

'poëzie is voor mij eerst en vooral affectief.' door Alja Spaan     MAHLU MERTENS (1987) werd geboren in Maastricht, maar woont...