door Romain John van de Maele
foto © Poetry International
Er zijn weinig Vlaamse dichters die zoveel aandacht hebben geschonken aan het visuele aspect van het-in-de- wereld-zijn als Roland Jooris. Zelfs Bernard Dewulf, die veel essays en columns over visuele kunst heeft geschreven, komt in zijn gedichten niet in de nabijheid van Roland Jooris’ vroege weergave van zijn ervaring met de natuurlijke wereld. Het gedicht ‘Lijnen’ uit de bundel Bladstil, dat uit slechts vier versregels bestaat, is een definitie van riet, niet van lijnen. De eerste versregel, ‘Riet zijn’, geeft aan dat de dichter een beschrijving op het oog heeft. Het koppelwerkwoord zijn, in de persoonsvorm die bij de definitie past ‘is’, werd van het onderwerp gescheiden en is het beginwoord van de tweede versregel: ‘is lichtjes schuin’. Daarna werd de definitie vervolledigd in versregel drie en vier: ‘in de leegte / blijven staan.’ Anders gezegd, het gedicht is een propositie die bestaat uit een persoonsvorm en een vrij lang predicaat. Het is meer bepaald een ware propositie. Er is immers geen reden om aan te nemen dat het lyrisch subject als alter ego van Roland Jooris een onware propositie gestalte heeft gegeven. Dat neemt niet weg dat een lezer na het lezen van het lange predicaat eventueel verbaasd kan zijn. De omgeving is immers constitutief voor de kijkende mens, en de mens is constitutief voor het landschap. Mens en omgeving staan niet tegenover elkaar, ze vormen samen de basis van de zingeving. Maar in het korte gedicht is het historisch subject en zijn alter ego, het lyrisch subject, slechts impliciet aanwezig. Het gedicht lijkt de vertaling te zijn van een beeld dat door een automatische camera werd gemaakt.
Jooris heeft de automatische cameratechniek meermaals toegepast – ik denk aan het titelloze gedicht uit de bundel Een consumptief landschap waarin koren wordt ‘beschreven’: ‘koren nog altijd / koren: een woord / met een landschap / ernaast.’ Ook ‘Voorjaar’ uit de bundel Laarne behoort tot de reeks gedichten waaruit het lyrisch subject als het ware verdwenen is: ‘Regen. Lucht. / Men rijdt doorheen een / straat. / Ruitewissers openen / de werkelijkheid.’ In dat korte gedicht is wel een mens, meer bepaald een ‘men’ aanwezig, die door het landschap rijdt. Het gedicht is een close-up of een uitsnede, want de achtergrond is verdwenen.
Het titelloze gedicht bestaat uit een tautologie met een kleine aanvulling, ‘een landschap / ernaast’, waardoor het landschap als het ware betekenisloos wordt. ‘Voorjaar’ wordt als het ware vastgelegd door een dashcam. Een twijfelende of verbaasde lezer kan een andere relatie met de omgeving hebben, waardoor de definitie van riet of een ander ‘zijnde’ met een ander predicaat wordt afgerond. Dat hangt samen met de menselijke existentie als vrijheid. Voor een blinde is riet – zonder toelichting door iemand die wel visueel kan waarnemen – geen plant die schuin in de leegte staat. Wie riet niet visueel kan waarnemen, kan wellicht het geluid van het riet in het voor- of najaar horen en verwoorden, en dan wordt er vaak over ruisend riet gesproken. Indien een luisterende blinde het riet daarmee gelijkstelt, is dat een ware propositie. In het gedicht ‘Lijnen’ en in de uitspraak van de blinde gaat het echter niet om het zijn op zich, maar om het zijnde: de plant die men op een aantal manieren kan waarnemen zonder tot het ‘zijn’ van het riet door te dringen. Door het zijnde te definiëren wordt de betekenis van het riet voor de dichter verwoord. In het gedicht van Jooris gaat het om een ware bewering, een uitspraak die door anderen gecontroleerd kan worden. Voor een ornitholoog is riet in de vorm van een rietveld aan de rand van een grote plas een geschikt habitat voor de rietgors, en voor een rietdekker is de moerasplant het materiaal waarmee hij een huis wapent tegen de regen. Het zijnde krijgt in de relatie met de mens uiteenlopende inhouden en betekenissen.
In de vroege gedichten van Roland Jooris speelt de visuele waarneming een grote rol. Maar nu en dan wordt de visuele herkenning samen met de daaruit voortvloeiende zingeving niet volledig ontbloot. De dichter schrikt van het beeld en onderbreekt de gebeurtenis door de woorden ‘ik dacht: straks …’ In het gedicht ‘Vanmorgen’ uit de bundel Laarne is het lyrisch subject expliciet aanwezig: ‘vanmorgen drong links / een stuk weide als een / groot vlak in dit gedicht; // ik dacht: straks is een / gedicht een weide, een / concrete gebeurtenis.’ Ook in dit gedicht wordt een definitie gegeven, maar deze keer aarzelt het dichterlijk subject om zonder meer een gelijkheidsteken te plaatsen tussen gedicht en weide. Maar het is duidelijk dat Roland Jooris bij het schrijven van het gedicht de visuele gewaarwording van de weide als vlak al lang had verinnerlijkt, zonder dat een ander paar ogen de gewaarwording konden vergelijken en bevestigen. De weide wordt als een groot vlak voorgesteld, en op die manier herinnert de dichter aan de kubistische waarneming en vormprincipes.
Resoluut een gelijkheidsteken tussen gedicht en weide plaatsen, zou echter betekenen dat het gedicht gekoppeld wordt aan het predicaat weide en indirect aan vlak. Wellicht was de sprong naar het vlak te groot. Ook de suggestie dat een gedicht een concrete gebeurtenis zou kunnen zijn wordt niet met stelligheid verwoord. In de uiterst korte gedichten uit de vroege periode was het lyrisch subject slechts impliciet aanwezig, en het was alsof de proposities vanzelf tot stand kwamen, zoals driedimensionaliteit in het tweedimensionale vlak van een schilderij. Voor een dichter die zijn weg zocht in de vormentaal en zijn eigen in-de-wereld-zijn, was het gemakkelijker proposities niet expliciet aan het lyrische subject te koppelen. Zo kon hij van zijn omgeving ‘maken’ wat de existentiële ervaring en de fenomenologische benadering hem lieten ontdekken, zonder het ik al te veel bloot te geven en aan kritiek bloot te stellen. In het gedicht ‘Minimal’ uit de bundel Het museum van de zomer heeft hij zijn reserves laten varen en zijn subjectiviteit ten volle benut: ‘Vogel wipt. / Tak kraakt. / Lucht breekt. // Bijna niets / om naar te kijken / en juist dat / bekijk ik.’ Het gedicht is een kleine ode aan de vrijheid van het historisch subject en zijn alter ego, het dichterlijk ik.
–

