LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Graa Boomsma – Breken is bouwen. Vijfenzeventig jaar Vijftigers

24 dec 2025

Over Vijftig raak je niet uitgepraat

door Hans Puper

Breken is bouwen heeft als ondertitel Vijfenzeventig jaar Vijftigers. Graa Boomsma wilde dit vieren met dit lijvige boek en dat is hem uitstekend gelukt. Na een heldere inleiding volgen er hoofdstukken over de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de Vijftigers en hun werk, de historische avant-garde, vrouwelijke Vijftigers (die niet als zodanig werden gezien en die Boomsma eindelijk recht doet), de Vlaamse Vijftigers en Vijfenvijftigers, de literaire bladen en de poëzie en beeldende kunst (verschillende Vijftigers waren immers dubbeltalenten).
Breken is bouwen is een goede titel voor het boek, want bij deze dichters (en schrijvers van experimenteel proza) kom je die opvatting in vele variaties tegen. ‘Zonder puin geen nieuwbouw,’ zei Bert Schierbeek bijvoorbeeld. De poëzie van sonnettenbakkers en andere verzenmakers voldeed na de oorlog niet meer, hun taal kraakte ‘als kostschoolse gewaden’ (Lucebert). Weg ermee. Er waren nieuwe vormen nodig, in een nieuwe taal. Geen burgerlijk klein geluk meer, maar de ruimte van het volledige leven met haar afgronden en extase en alles wat daartussen zit, inclusief het onderbewustzijn. Beginnen vanaf het nulpunt. Voor de Vlaamse dichter Willy Roggeman begon daar zelfs iedere dichtpoging mee.

Zeer boeiend is de geschiedenis van de voorgangers van Vijftig. In de eerste plaats de dadaïsten, van wie een aantal de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog aan den lijve hadden ervaren. Dada werd in 1916 opgericht in Zürich, onder anderen door Tristan Tzara, Hans Arp en Hugo Ball. Hun programma: ‘anti-autoriteit, anti-kunst, anti-orde, demonische humor.’ En anti-vooroorlogse taal, want die had afgedaan sinds het uitbreken van het oorlogsgeweld. In Nederland verzamelde Theo van Doesburg (1883 – 1931), als dichter bekend als I. K. Bonset, dadaïsten om zich heen. In 1923 ging hij op dada-tournee (‘dada veldtocht’) met de Hongaar Vilmos Huszár (1884 – 1960), de Duitser Kurt Schwitters (1887 – 1948) en pianiste Nelly (Pétro) van Moorsel, en die veroorzaakte een enorme opschudding.
Bijna dertig jaar later veroorzaakten Vijftigers een rel in het Stedelijk Museum: Lucebert goot een glas water over zijn hoofd toen hij het gedicht ‘Herfststemming’ voordroeg. Ook het tweeregelige gedicht ‘De dood van de minister-president’ droeg bij aan de feestvreugde: ‘De minister-president is een kanon / piep piep piep piep piep’. In een tijd dat poëzie nog een onaantastbare status genoot, waren zulke provocaties (nota bene van een dichter) schokkend.

Van de vooroorlogse avant-garde hebben vooral surrealisten als Michaux, René Char en André Breton invloed op Vijftig gehad: ook bij hen de droom, irrationaliteit, het onderbewustzijn en de versplintering van het ik. Vijftigers lieten de logica en vormvastheid van de traditionele poëzie los, het associatieve en de verzelfstandiging van de beeldspraak (dus geen vergelijkingen met ‘als’ en dergelijke) speelden een belangrijke rol. Er werd gezocht naar een nieuwe, zintuiglijke taal, in passende vormen. Poëzie moest proefondervindelijk zijn: uitproberen wat taal fysiek met je kan doen, het aftasten van taal, het proeven van de lichtheid of zwaarte ervan. Hun poëzie ontstond in een taallaboratorium, aldus Boomsma, taal is zelfstandig materiaal. Kouwenaar beschouwde het gedicht bijvoorbeeld als een ding, een ‘autonoom taalkastje’ waarachter de dichter verdween. Het accent lag niet op alledaagse communicatie, maar op ontregeling, bijvoorbeeld door het negeren van grammaticale regels.
Traditionele critici en dichters die niets van die ‘wartaal’ moesten hebben en alles bij het oude wilden laten, beweerden dat er niets nieuws onder de zon was: die experimenten waren al gedaan. Dat is onzin. Er was sprake van invloed, niet van navolging. Zo had Kouwenaar veel te danken aan het surrealisme, maar, zoals hij zei, zonder het denken op te geven. Producten van ‘écriture automatique’ zul je in zijn werk niet vinden. Een dichter was voor hem een vakman, die lang schaaft aan een gedicht. Bij Elburg en Schierbeek zag je hetzelfde.

Tot nu toe heb ik het steeds met een zekere vanzelfsprekendheid over ‘de Vijftigers’ gehad, maar wie hoorden daar nu precies toe? Je denkt aan Lucebert, Kouwenaar, Elburg, Hanlo, Campert, Schierbeek, Hans Andreus Rodenko, Claus en anderen die voorkomen in de bloemlezingen Atonaal (1951, samengesteld door Simon Vinkenoog) en vijf 5 tigers (1955, met een inleiding van Gerrit Kouwenaar) en de naoorlogse experimentelen die Rodenko noemt in nieuwe griffels schone leien (1954). Maar Boomsma laat zien dat je daar met recht de Vlamingen aan kunt toevoegen, die zich groepeerden rond Tijd en Mens (1949 – 1955) en Gard Sivik (1955 – 1964). En vergeet de vrouwelijke dichters niet, die door mannelijke dichters, critici en (naar mijn weten) literatuurhistorici nooit met hen in verband zijn gebracht. Alleen Ellen Warmond kreeg een plaats in nieuwe griffels schone leien.
Boomsma gaat in op het werk van Til Brugman, Sonja Prins, Mea Strand, Ellen Warmond, Suzanne Lecointre, Ankie Peypers en Lizzy Sara May. Zij waren niet de minsten. Neem alleen al Til Brugmans (1888 – 1958), die zich al voor de jaren twintig in dadakringen bewoog en ook daarna tot de internationale avant-garde behoorde en begin jaren vijftig ook experimentele poëzie schreef. Ze werd door Lucebert gewaardeerd, maar ze hoorde er niet bij. Of neem Sonja Prins (1912 – 2009), in 1930 oprichtster van het tijdschrift Front, waaraan dichters als William Carlos Williams en Ezra Pound meewerkten. Ezra Pound publiceerde er nota bene een fragment van zijn legendarische Cantos in. Er verschenen nog bundels van haar in de jaren vijftig, die zeer werden gewaardeerd door Elburg en Lucebert, maar als Vijftiger werd zij niet beschouwd.

De onderwaardering van vrouwen is misschien niet de enige reden dat zij in de schaduw bleven. Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn wijzen in hun monumentale poëziegeschiedenis over de poëzie van 1900 tot 1940, Een nieuw geluid, op het bestaan van literaire ruimten, waarin dichters, critici, uitgevers en andere actoren een wederzijdse invloed uitoefenen. De literaire ruimte rond de Nederlandse Vijftigers ontstond mogelijk als volgt.

Aanvankelijk was er sprake van een netwerkje van jonge dichters en schrijvers die elkaars opvattingen en ideeën herkenden. Ze waren al bevriend of hadden elkaar leren kennen door toevallige ontmoetingen, via introducties en blaadjes als Braak (opgericht in 1950 door Campert en Kousbroek, die vrienden waren geworden op het Amsterdams Lyceum) en Blurb (ook 1950, van Vinkenoog in Parijs), die maar kort bestonden, maar voor hun poëtische bewustzijn zeer belangrijk waren. Er was sprake van zelfprofilering, daar hadden de dichters belang bij. Ze wilden worden gezien, en daarom was het goed als een groep vernieuwende dichters naar buiten te treden. Onderling waren de dichters zeer verschillend: kijk alleen maar naar Campert en Kouwenaar. ‘Alleen naar buiten toe trokken we hetzelfde gezicht’, zei Schierbeek in 1960. ‘En we hadden tegenover ons staan ongeveer de hele nederlandse literatuur. Er werd daar veel met de oren geklapperd.’ Ze zorgden voor reuring. Tijdschriften, critici, de genoemde bloemlezingen, het bekende gedicht ‘Verdediging van de 50-ers’ van Lucebert, uitgevers en aanvankelijk ook literatuurwetenschappers droegen het hunne bij aan de beeldvorming. Ook zij trachtten hun prestige te verhogen door als kenners te wijzen op een belangwekkende, experimentele groep dichters, en een nieuwe rangorde aan te brengen in de dichterswereld.

Toen hun namen eenmaal waren gevestigd, was het voor de dichters niet meer nodig om als groep op te treden. Vanaf dan is het ieder voor zich.

Podium (1944 – 1969) werd gaandeweg het belangrijkste literaire tijdschrift voor de Nederlandse, mannelijke Vijftigers, ook toen ze zich niet meer als groep manifesteerden. Ze publiceerden nieuwe gedichten en experimenteel proza, in de rubriek ‘Staanplaatsten’ gaven Vinkenoog, Kousbroek Elburg en Andreus hun visie op de betekenis van Vijftigers en er verschenen essays.

Randstad (1961-1969), het tijdschrift van Ivo Michiels, Claus, Mulisch en Vinkenoog, richtte zich op de internationale avant-garde en borduurde voort op de verworvenheden der Vijftigers.

In Merlyn en Raster kun je lezen hoe de publieke waardering van Vijftig zich ontwikkelde.
Merlyn (1962 – 1966) was het tijdschrift van de close reading. De analyse van romans, verhalen en gedichten stond centraal. Het niveau van de recensies en essays in Merlyn steeg daardoor ver uit boven die in de traditionele media, waarin het veelal ging om morele gehalte van de poëzie en de vermeende bedoeling van de dichter aan de hand van biografische gegevens. Over de vorm en de werking van taal las je weinig in zulke stukken. Met name Kouwenaar en Lucebert werden door de redacteuren H.U. Jesserun d’ Oliveira, Kees Fens en J.J. Oversteegen zeer gewaardeerd. De redenen daarvoor konden zij overtuigend onderbouwen.

Toen Merlyn stopte, begon H.C. ten Berge met Raster, als enige redacteur. Merlyn was voor hem als beginnend dichter een belangrijk podium geweest en dat was hij kwijt. Van Raster maakte hij een kosmopolitisch, modernistisch tijdschrift, waarin ook ruimte was voor muziek, film en literatuurwetenschap. Kouwenaar, Lucebert, Andreus, Campert, Schierbeek, Polet en andere Vijftigers publiceerden in het tijdschrift. Dat was natuurlijk niet het enige: zo debuteerde Hans Faverey in Raster. Andere tijdschriften hadden geen belangstelling voor zijn poëzie. Te hermetisch.
Raster heeft bestaan van 1967 tot 2008, met een onderbreking van 1973 tot 1977. In die tweede periode werd de redactie uitgebreid met Bernlef, Vogelaar en Pieter de Meijer. Redactieleden werden van tijd tot tijd vervangen door andere.
In Raster vonden een paar zeer interessante discussies plaats over de betekenis van de Vijftigers. In 1984 werd er gesproken over het regelmatig gehoorde verwijt dat zij niet-experimentele dichters in de hoek hadden gedrukt. Onzin, vond Bernlef: ‘Het is veel meer zo gegaan dat de poëzie waar de Vijftigers zich in eerste aanzet tegen verzetten zodanig slecht en clichématig was dat er maar een zuchtje wind voor nodig was om het hele bouwwerk van Aafjes en consorten omver te blazen. Het was eigenlijk een overwinning van niks.’ Vijftig betekende geen breuk in de traditie, en daar had Rodenko in nieuwe griffels schone leien al op gewezen. Dat blijkt al uit de ondertitel van de bundel: van gorter tot lucebert, van gezelle tot claus. bloemlezing uit de poëzie der avant-garde. Het zal geen verwondering wekken dat met name Van Ostaijen een held was voor de Vijftigers.
Graa Boomsma heeft een grote waardering voor Raster. Zijns inziens is het ‘van belang te benadrukken dat de experimentele mentaliteit van de wisselende redactie – gericht op modernistische tradities, op mogelijkheidszin en op kosmopolitische geesten – van Raster het belangrijkste tijdschrift tussen 1945 en 2025 hebben gemaakt.’ Het mag weleens worden gezegd, omdat het tijdschrift vaak geringschattend werd besproken door gemakzuchtige critici, schrijvers en lezers die waren gesteld op hapklare brokken.

Het laatste hoofdstuk gaat over de samenwerking en wederzijdse beïnvloeding van de Vijftigers en de schilders van Cobra. Ze hadden dezelfde mentaliteit. Ook de beeldtaal voldeed na de oorlog niet meer: ‘Het was zaak al tastend opnieuw te beginnen, kinderlijk direct en spontaan en vrij als een primitieveling.’ De kunstenaar moest zich vrijmaken van aangeleerde conventies, beginnen vanaf een nulpunt, net als de dichters. Nog een overeenkomst: het tastbare. Volgens Constant ging het niet om figuratief of abstract, maar de ‘sensatie van de materie’. Alleen zo kon de schilder zich ‘na een klodder verf te hebben uitgestreken […] geheel en al in deze klodder terugvinden’.
Boomsma gaat uitgebreid in op de samenhang tussen poëzie en werk van de dubbeltalenten Lucebert, Elburg en Claus. Mooi is wat Elburg schreef over Lucebert: ‘Begint de pen die krast opeens te zingen’. Daarnaast besteedt Boomsma aandacht aan hun samenwerking met (veelal) Cobraschilders. Hetzelfde geldt voor Schierbeek, Kouwenaar, Andreus, Vinkenoog en Campert.
Er zijn zestien paginagrote foto’s ter illustratie opgenomen in het boek. Een klein foutje: onder de foto van een pagina uit Goedemorgen Haan staat dat dit boekje van Corneille en Kouwenaar is. Dat moet zijn: Kouwenaar en Constant, zoals Boomsma ook schrijft in zijn tekst. Een kleine vergissing die in een eventuele tweede druk (die ik Boomsma van harte gun) ongetwijfeld zal worden rechtgezet.

Breken is bouwen is een aanwinst voor de geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie. Mijn enige punt van kritiek is, dat Boomsma zijn betogen soms lardeert met een overvloed aan citaten, die niet altijd iets toevoegen. Maar dat doet niets af aan de waarde van het boek.

—-
Graa Boomsma (2025). Graa Boomsma – Breken is bouwen. Vijfenzeventig jaar Vijftigers. De Arbeiderspers, 720 blz. € 50,00 ISBN 9789029547314

     Andere berichten

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

De dodelijke ernst van de liefde door Francis Cromphout - - Jan M. Meier (° te Gent in 1951) debuteerde in 1972 met Figuratie die bekroond...