Een poëtische biografie
door Tom Veys
–

–
In het citaat uit het Boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa, dat aan de bundel voorafgaat, zit een leessleutel om de gedichten goed te begrijpen: ‘Ik dwaal af en vind; ik vind omdat ik afdwaal.’ De dwaaltocht of de zoektocht naar identiteit bepaalt deze bundel in grote mate. Op de binnenflap van In de verte is ze hier staat verder: ‘Deze bundel schetst een zoektocht naar identiteit en vervreemding, naar het (on)vermogen om verbinding te maken en naar het ontgroeien van veiligheid en vertrouwen.’
Het debuut van Elisa Schepens is onderverdeeld in drie afdelingen: ‘Wortelnest’, ‘Vegetatie voor een thuisklimaat’ en ‘Wenteljaren’. De eerste en de derde afdeling tellen vijftien gedichten, de tweede afdeling tien gedichten. Een keurige indeling, een bewuste structuur.
In ’Wortelnest’, de eerste afdeling met als titel een neologisme, staat hoofdzakelijk de kindertijd centraal. Het nest is hier een bijzonder nest, een wortelnest met diepe, poëtische bodems. Hier is een tactiele dichter aan het woord. Zintuigen worden aangesproken, kleuren, smaken worden benoemd. Uit ‘Voedingsbad’: ‘we flaneren in flanellen pyjama’s door de kamers / geuren naar verse kokos met marsepein’.
Op verschillende plaatsen in de bundel komt ook beeldend werk voor. Elisa Schepens is naast dichter, eveneens beeldend kunstenaar en ontwerper. Achteraan in de bundel staat een vlot verwoorde ‘Verantwoording’: ‘Om de juiste sfeerzetting te bekomen, maakte ze gebruik van diverse technieken. Gedrukte etsen, olieverf op doek, aquarel, maar ook textielkunst.’ Misschien is het coloriet in bepaalde werken een beetje anders dan de sfeer in het gedicht. Bijvoorbeeld naast een grauw gedicht kan een kleurrijk tafereel staan. Deze tegenstelling kan bewust zijn. Sowieso zijn er sterke zwart-witbeelden te ontdekken in de gedichten. Thematisch sluiten de beelden aan bij de inhoud van het gedicht.
Er komen veel talige beelden voor die dicht bij elkaar worden uitgewerkt, dus voer voor de fijne poëzielezer. De woorden kan je sterk proeven. In de eerste afdeling zijn vooral woorden te vinden die een pijn, een bijzondere spanning omschrijven.
–
vader strijkt een rimpel uit de dag en het tafellinnen
ordent bestek en toespijs strategisch rond zijn bord
een halve blik, geen woord teveel, kaarsrecht zitten we
–
moeders handen rusten zonder oordeel op haar schoot
in het midden van de tafel ligt het broodkind blind te wachten
houdt zijn adem vast in uitgerezen gist
–
niemand neemt het mes
Volgens mij neemt de dichter hier in ‘Krentenbroodkind’ het mes in handen. Een gevoel, een moment wordt omgezet in een gedicht.
Het spel met woorden is intens, soms beklemmend, de bundel laat je zoeken. De dichtregel ‘de trap naar het licht is hier en daar vermolmd’ uit ‘Schaduwmeesters’, is richtinggevend. Meer nog, de schaduw of het spel met licht en donker is een rode draad. Gemis, gebrekkige lichaamswarmte, kale takken, zijn thema’s die wonderlijk veel betekenis oproepen.
Bepaalde gedichten zou je zelfs symbolisch kunnen noemen. Zoals eerder aangestipt, gaat Elisa Schepens tactiel te werk. Ze ontrafelt ‘in zacht mohair en geurend naar lavendel’ (uit ‘Erosie’). Het symbolische komt bijvoorbeeld sterk tot uiting in ‘Geheime kamer’, een meesterlijk gedicht waarin de dichter een deur ontdekt zonder scharnieren. Op die manier worden de dichter en de lezer in een nieuw vertrek naar binnen getrokken. De eerste afdeling eindigt in ‘Echo’ met: ‘het nieuwe nest kan vorm krijgen’. Een brug naar de volgende afdeling.
In de tweede afdeling ‘Vegetatie voor een thuisklimaat’ wordt er gezocht naar een antidotum voor het eerder donkere levensgevoel uit de eerste afdeling. De sfeer in deze gedichtenreeks is dus anders, nota bene even diep gelaagd. In ‘Stippenpuzzel’ treffen we een sprookjesachtige sfeer aan. Dit gedicht legt de link legt met de vorige afdeling ‘Wortelnest’.
–
in de tuin groeit een ovale struik waar je tijdelijk,
kunt wonen, hij omhult je tot je er deel van wordt
honderden beestjes van een lieve god dansen er in het rond
omringen je als mazelen aan een hemelkoepel
kruimels bij de Melkweg
–
je verbindt urenlang de stipjes met elkaar
tot de tekening aan je verschijnt
–
en later zal je vergeten zijn
wat de magie was van een wortelnest
–
je zal patrooncijfers zien doorheen het kalkpapier
je vroegere kind uitnodigen in je latere jaren
het kost keurmerken op parels van de tijd
Titels als ‘Bonte familie’, ‘Kersenboom’ en ‘Superhelden’ openen in deze afdeling een ander perspectief, veelal wordt een warm gevoel opgeroepen: ‘we rennen in rondjes, worden het waterwiel / drie opgeblazen ringen vormen een regenboogcirkel / broer en zus zingen met mij een refrein’. Er is ook een positief moederbeeld: ‘mama’s paarse trui gloeit als de heide / berkenschors krijt parallellen met de horizon (…) vroeger en later zullen altijd goed zijn / mama lacht en ze is eeuwig’.
Als lezer word je vrijwel altijd talig mee op sleeptouw genomen. Dat is sterk. Je wordt meegezogen in een wentelend beeld, zeker in de derde of laatste afdeling ‘Wenteljaren.’
In deze laatste afdeling krijgen de gedichten meerdere gezichten. Ook het coverbeeld vermoedt drie figuren die in elkaar overgaan. Deze laatste afdeling komt over als een prachtige symbiose van de eerste twee afdelingen.
De vader- en moederfiguur krijgen in deze afdeling opnieuw aandacht. Over de moeder: ‘ik woon in avondrood onder haar sleutelbeen / ze hoort het lied dat met mij de wereld in komt‘ of ‘haar warmte zindert door mijn weefsel’ (uit ‘Moeder en kind’), over de vader: ‘papa’s ogen worden sterren / op de vensterbank fonkelt / zijn firmament op een rij’ (uit ‘Atelier’).
De doordachte portretten in ‘Wenteljaren’ zijn dus lyrisch, ze wentelen als de sferen die worden opgeroepen. De dichter heeft overigens een uitgekiende woordenschat. Er is mijns inziens een vlotte dynamiek terug te vinden in ‘Wenteljaren’. Dit contrasteert passend met het eerder statische beeld in ‘Wortelnest’.
Bovendien wordt er met clair-obscur gespeeld in ‘Assisen’. Misschien is het onbewust een intentieverklaring.
–
vader denkt dat ik een verborgen boodschap zing
ik probeer gewoon mijn stem niet te verliezen
mezelf vormvast te houden, hul mij in regensluiers
op linoleumwolken van de vloer vloeien kleuren
uit tot een vreemd portret
–
een klok slingert de tijd twee kanten op
de stilte naar binnen geslopen, het woord
ongeboren gebleven, de avond heeft vele deuren
–
pinguïns maken zich op in zwart-wit
iets weegt zich af in grauwtinten
roept binnensmonds
de hamer valt
–
vrienden omklemmen de lege huls van mijn hand
de nacht wil niet inslapen bij mijn ouders
de ochtend telt de doornen aan de roos
–
een aandenken aan mezelf ligt als een negatief
in de donkere kamer en wil daar blijven
voorgoed onbereikbaar, niet ontwikkeld
te veel licht maakt dood
In ‘Restletsel’, ‘Cesuur’ en in de gedichten die erop volgen, wordt de werkelijkheid verwerkt. In het slotgedicht ‘Dwaaluren’ staan als laatste twee dichtregels: ‘misschien lukt stromend leven morgen / in de verte is ze hier’. Hier speelt de dichter met afstand. Misschien kunnen we goed bezien wanneer we figuurlijk en letterlijk afstand nemen.
De beschouwingen in deze bundel zijn tot slot hoog poëtisch, ze handelen soms over angst en eenzaamheid. De lyriek in deze bundel is intrigerend en prangend. In de verte is ze hier is meer dan een geslaagde debuutbundel. In de gedichten zijn er originele, talige beelden te vinden over herinneringen en emoties. Deze bundel, uitgegeven bij Uitgeverij Archipel, is een poëtische biografie die de lezer intens overtuigt. Ik was overigens verrast door het interview met Elisa Schepens omdat het aansloot bij mijn eigen bevindingen.
____
Elisa Schepens (2025) In de verte is ze hier. Uitgeverij Archipel, blz. 60. € 25,00. ISBN 9789090406206


