LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Roberta Petzoldt – Zeebeving

14 jan 2026

Op zoek naar onthechting en overgave

door Johan Reijmerink




De performer en dichter Roberta Petzoldt ontdekte op de Rietveldacademie dat ze een voorliefde had voor beeld en taal. Daaraan voorgaand had ze met haar aangeboren eigenzinnigheid de nodige kunstzinnige omzwervingen ondernomen om erachter te komen dat uiteindelijk poëzie voor haar een passende manier is om in parallelle werkelijkheden te stappen, en daarmee te kunnen omgaan. Die ambivalente levenshouding is haar blijkbaar op het lijf geschreven en biedt de nodige energie om haar poëtische slagen door het leven te maken. Daarin ervaart ze op vele momenten het leven als surrealistisch. Dat komt onder meer tot uitdrukking in haar nieuwe bundel Zeebeving (2025). Vanuit de crisissituaties die ze daarin verwoordt, geeft ze haar observaties prijs. Ze debuteerde eerder succesvol met de bundel Vruchtwatervuurlinie (2019).

De nieuwe bundel Zeebeving bestaat uit drie delen: een eerste afdeling waarin naar een onrustbarende ‘zeebeving’ wordt toegeschreven, daarna volgt een ‘oversteek’, om daarna toe te groeien naar een nieuwe werkelijkheid zoals ze bedoeld is. Beide afdelingen zijn door zwarte pagina’s afgescheiden. Mijn eerste indruk is dat er een grote mate van ambivalentie in haar gedichten voorkomt. In de eerste afdeling draagt ook de wisselende strofeopbouw van de gedichten bij tot een tasten en zoeken naar inhoudelijke consistentie. Op enkele plaatsen strekt het proza-achtige gedicht zich over de pagina uit, en dan weer volgen er gedichten met een klassieke strofevorm. Daaruit spreekt een zoeken naar een passende vormgeving. Wel heeft elk gedicht een titel.

Veel gedichten in de eerste afdeling vinden hun bedding in een natuurlijke omgeving van ‘boom en berg’. In die zin probeert Petzoldt ons het onlosmakelijke verband tussen mens en natuur te laten ervaren. Die samenhang komt al verrassend tot stand in het eerste gedicht ‘Boom en berg’ waar de ik en de jij opgroeien in het licht van de zon. Daarin belagen ze elkaar, en toch vinden ze hun weg én de wijsheid om mensen te leren andere mensen te genezen. In verschillende gedichten wisselt de ik of de jij van gedaante, waarin de ik ervaart dat de ander meer van haar hield dan de ik van zichzelf. Hoezeer de natuur ook een verbindende rol speelt in deze gedichten, het gaat uiteindelijk om het wel en wee van de mens. Op alle mogelijke manieren wil de ik-persoon ‘zijn antenne in de toekomst steken’.

We krijgen fragmenten van de groei naar volwassenwording te zien. De ik wil graag weten hoe de toekomst eruitziet, nu er kleintjes in het leven van ouders zijn. We krijgen een inkijk in het kind uit ‘Onder ons gezwegen’, dat ingeboren verzet toont, zelfs al op het moment dat ‘de kindermond nog geen woorden kent’. Al op zesjarige leeftijd maakt de ik in ‘Stof van het lichaam’ mee dat de moeder van een klasgenoot overlijdt: ‘ik zag haar zoontje zand op zijn moeder gooien.’ Het onbegrepen leed komt al jong het leven van de ik binnen, maar ook het zelfmedelijden.

In ‘Herinneringen van een moerasman’ komt de ik tot het inzicht dat ze een gelukskind is, maar ook is er het besef dat ‘niemand die mijn herinneringen kent.’ Het verwoordt de spanning tussen het gekend worden en jezelf doorgronden. Toch overheerst het verdriet ondanks het dromend schijngeluk van buitenaardse wezens. De ik wilde sterven met vogelstemmen. ‘Maar ik wist nog alles en was jong als de hoop.’

Maatschappijkritiek ontbreekt ook niet in deze bundel. Het gedicht ‘Hoofdstad’ geeft een treffend beeld van de verloedering van onze hoofdstad waar desondanks ‘kleine vogeltjes op veilige hoogte [broeden] en zingen in boventonen.’ Zo ook in ‘De angst van de wilde wolf’ waar gesproken wordt over een reis door de herinnering van de beschaving: ‘Ik ben het verdriet dat me anders maakt / ik ben het smakken van mijn huiskat / en de angst van de wilde wolf.’ We leven ‘in uitstervende landschappen / vuilnisbakken staan als mijlpalen en verdelen elk rondwaren in uitstapjes.’

Het gedicht ‘Het woekerdier’ is zo’n voorbeeld van een gedicht waarin de strofen inhoudelijk ver uit elkaar liggen, waar de kwaadwillige botst tegen een beeld van geborgenheid’ en waar ‘Schaamte (…) zonder ogen [schiet] / zijn smoddige spoor (…) wrattenzwijnen [trekt] / die de grond omwoelen tot ze op / de kale beenderen van Mermerus stuiten.’. In een dergelijk verlaten landschap voelt de ik zich eenzaam, wat tot de uitroep leidt in: ‘Wat doe je tegen eenzaamheid.’ Deze inhoudelijk sprongsgewijze verwoording komt vaker voor, en doet af aan de zeggingskracht van deze bundel.

In het slotgedicht van de eerste afdeling ‘Nomina numina’ over de kracht die er van namen uitgaat, zoals de namen van godheden die gebeiteld staan boven een tempelpoort. Voortdurend is de mens in de weer om de dingen om zich heen te benoemen, in te delen en verder te brengen in hun ontwikkeling. Om daarin de waarheid te ontdekken en de eenzaamheid voor te blijven, en buiten te sluiten beschouwt hij als zijn opdracht. Hij doet een vertwijfelde poging de ‘bedremmelde brokjes gelijktijdigheid’ van Einstein vast te houden: ‘Als licht sneller gaat dan de duisternis, duurt de nacht dan langer?/ Halen wij het beste uit onszelf of halen we het snelste uit onszelf`?// Zeebeving. / Lengte krimp. / Kan iemand voorspellen op welke stippels de regen vallen zal /’.

Tijdens de ‘Oversteek’ in de wildernis naar het volwassen leven ervaart de ik in dit overdadig beeldrijke gedicht een ‘silhouet in de blauwe deuropening waar het licht van oneindig / me iets rigoureus belooft’. Er gloort een belofte in het verschiet. Dat verleent aan de bundel een spirituele dimensie: ‘Om door inkt te kunnen kijken sluit ik mijn ogen. // Hoor de hond driestemmig blaffen / uit zijn kwijl groeien bloemen / uit zijn nek glijden slangen / hier geen overgang tussen hemel en water // hier is alleen diepte.’

In de tweede afdeling opent de dichter met het gedicht ‘Keelpijn’ waarin de ik openstaat voor verleden en toekomst. De ik-persoon houdt een ‘Saturnale administratie bij van (…) [haar] woede / aanvallen’. Na de korte tekst volgt er een woordeloze reeks van komma’s met zo nu en dan het woord ‘dans’ om te eindigen met ‘dans op je zwakke benen.’ De ik begint in deze afdeling aan haar roadtrip door het leven: ‘Ik zag het paradijs vanaf de snelweg liggen / een wit huisje tussen dromende bomen met handgemaakte kozijnen / gevonden en fel gekust door de vroege lentezon / een bos van doorschijnend beukengroen zwevend in de duisternis.’

Er leeft in de ik een sterke vrijheidsdrang om toch aan zichzelf te ontkomen, net zoals de hommel die zich wil bevrijden uit de kamer: ‘en ik stel me voor dat God mij ook zo ziet’. Om al iets van die vrijheid te ervaren, is er het genot van werken aan een ‘timmerbus’, samengesteld uit allerlei afvalspullen, in het verknipte laagland {Flevoland?] aangevreten door aanvliegroutes en vermalende molens opengereten luchtruim, terwijl de economie op vakantie was. Een fraai gedicht over hoe de mens zich in het dichterschap kan vinden, is ‘Aardig’:

Terwijl ik nieuwe betekenissen vind
In kaalgewaaide woorden
Die ik als kind helder hoorde
Omdat ik nergens aan gewend was.

Of zijn het juist de oude betekenissen?

—-    – tik
—  —zie
—-    –de
—–gekleurde dansbeweging
binnenin de dof—–    geknikkerde eenteller

en ik plots versta dat aardigheid
door de aarde gegeven wordt.

In het gedicht ‘Aansteker’ richt Petzoldt een klein monumentje op voor Remco Campert die zij vooral herkende aan en bewonderde om zijn ‘twijfelende stem’. De ik is in ‘De kikker die mij kikker kuste’ gebiologeerd door allen die doodgaan omdat zij leeft. Er is het sterke verlangen bij de ik in ‘Hier niet’ naar ‘een man die me liefste zal noemen / en ik zal hem vragen / hoe lief precies / en hij zal zeggen / zoveel als je je ooit aan mannen heb geërgerd’. In die tombola van tegenstrijdige gevoelens zet de ik: ‘ik zal hem de mond snoeren / en kussen met mijn mond die al zoveel heeft/ gekust’. Voor de ik is in ‘Ravage’: ‘leven (…) rotting ontwijken / schrikken – treuren- toedekken en weggaan / toen ik een bericht kreeg / dat de vrouw voor wie een man mij verliet / haar dood gekozen had.’ Wat kost het niet een moeite om ‘rechtschapen rond te moeten lopen.’ Te midden van alle geweld en verlies popt de vraag op: wat doe ik hier ‘in het schaakspel van de wereldmacht’. Niemand is er die ‘het oude lied’ van offer en heldhaft meer leest.

Enig bombast klinkt zo nu en dan in haar verzen door als ze spreekt over ‘de dissonanten van de kerkklok / zeeziek op de golven van een bloedbad / zalig gemaakt kanonnenvlees / voor de watertandende wapenindustrie’. Als toerist rondreizend dringt het besef door op bepaalde plaatsen te leven hoe gelukkig ik hier was ‘met mensen die niet meer bestaan.’ Aan het wad wordt zichtbaar hoezeer land en zee met elkaar in een permanent gevecht zijn over beider voortbestaan. De omgeving van de zee, de stilte, de ruimte die de romp ruimer maakt als in een grot ‘waar het liedje van de eeuwigheid’ in besloten ligt. In deze afdeling ligt dikwijls het slotakkoord in de laatste versregels besloten.

De ‘mensenfluisteraar’ is degene die de ik leerde te laat te komen, zoals ‘Surinaams bloed zich [nu eenmaal] niet door tijd [laat] bepalen’. Hij is de vader van de zoon wie de ik liefheeft als een zus een broer. Hij leerde haar ‘vrijheid boven veiligheid met de ogen van een kat’. De ik-persoon gelooft in sprookjes ‘als de trans-Atlantische vlinder die mensen / aan beide kusten in ongeloof achterlaat / Atalanta’. Er is voortdurend bij de ik het gevoel van ‘weemoedige angst (…) het onheil aan [te zien] komen’.
In ‘Ploumanac’h’ aan de Bretonse kust met zijn voorwereldlijke rotspartijen is een plek die nieuwe beelden uitlokt. Daar moet de dichter gaan zitten en staren naar de brede rug van de oceaan, die niemand ooit zal breken. Is dat wat we doen? Al zittend aan de vloedlijn komt de gedachte op: ‘het uitstorten vanzelf in zelf, het overmeesteren van eigen lichaam, overgave en overmacht’.

Petzoldt doet in deze bundel vertwijfelde pogingen zich thuis te voelen in deze wereld. Haar eigenzinnigheid en ambivalentie zitten haar in de weg. Waar vindt ze de plaats waar het vanzelf samenvalt met haar zelf? Dat zal nog heel wat concentratie op taalkunst en vorm vragen om die weg naar binnen in haar poëzie begaanbaar te maken in de toekomst.

____

Roberta Petzoldt (2025). Zeebeving. Uitgeverij Van Oorschot, 61 blz. € 20.00. ISBN 9789028253124

     Andere berichten

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

De dodelijke ernst van de liefde door Francis Cromphout - - Jan M. Meier (° te Gent in 1951) debuteerde in 1972 met Figuratie die bekroond...