LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Hans Andreus – Van de roekoemeisjes en het licht

28 dec 2025

door Pieter Sierdsma

 

foto © Historiek, 2025

 

Hans Andreus was de schrijversnaam van Johan Wilhelm van der Zant, geboren te Amsterdam (1926). Hij overleed in 1977. In de buurt waar hij als jongen opgroeide raakte hij bevriend met Bertus Swaanswijk, die ook aan het schrijven was. Later noemde die zich Lichtbert, Lucebert, hoewel het licht in diens gedichten geen grote rol speelt, terwijl dit bij Andreus het alles doordringend thema is. Beide jongens raakten tijdens de oorlog in Duitsland. Swaanswijk meldde zich voor de Arbeitseinsatz. Hij kwam te werken in een fabriek waar V1 raketten werden gemaakt. Andreus vluchtte als zeventienjarige voor een conflict met zijn stiefvader mede onder invloed van zijn NSB gezinde familie naar het Vrijwilligerslegioen Nederland, dat alleen in naam Nederlands was maar tot de Waffen SS behoorde. Na verwonding op het slagveld kon hij door zijn ouders worden teruggehaald. Zijn toetreding werd gezien zijn leeftijd als ongeldig beoordeeld.

Hij leerde Simon Vinkenoog en Hugo Claus kennen. Trok toen naar Frankrijk later naar Italië. Tijdens die tweede periode raakte hij in een geestelijke crisis veroorzaakt door bewustwording van het gebroken gezin waaruit hij kwam, met een onbekende vader, een haatdragende schoonmoeder. Hij herstelde hiervan in een rusthuis te Den Haag. De bundel De sonnetten van de kleine waanzin uit 1957 was de neerslag van dit innerlijk conflict. Andreus schreef graag voor kinderen, gedichten, verhalen. De serie over de grappige meester Pompelmoes met een sprekende hond en kat thuis werd een groot succes.

Andreus behoorde tot de groep schrijvers en beeldende kunstenaars die zich na de oorlog presenteerde als voorhoede van een nieuwe lyriek, die zich keerde tegen welke conventie dan ook, de Vijftigers. Het woord kon als klank, associatie, werken. Dichter en beeldend kunstenaar Lucebert was de meest uitgesprokene. Anderen bleven in hun meer vrije woordkeus dichter bij de werkelijkheid zoals Remco Campert, Paul Rodenko, Paul Snoek en Hans Andreus. Maar het lichte zingen was al eerder in de poëzie aanwezig in de gedichten van Herman Gorter en in de ‘poésie pure’ van Paul van Ostaijen.

Andreus kwam in 1954 bij de redactie van het tijdschrift Podium opgericht in het voorlaatste oorlogsjaar maar toen ververst met jonge mannen als Remco Campert, Claus en Gerrit Kouwenaar. Beeld en woord waren nieuw. De mooie titel Muziek voor kijkdieren, de eerste bundel van Andreus uit 1951, is de toonzetting van deze renaissance. Het primitieve van dieren en tekens zoals bij Karel Appel en Bert Schierbeek vormde de opmaat voor die vrijheid. Maar deze is bij Hans Andreus heel aards. Zoals Paul van Ostaijen Marc ‘s morgens de dingen laat groeten verwelkomt Andreus het licht van de dag, Hij zingt erover, weeft woorden in een ritme: Het lied van het morgenlicht:

Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet gaan voorbij.

Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pas gewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van de gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige sebastiaan.

En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.

Het ontvangen van vrede met de wereld ademt het prachtige gedicht De stad, dat gelezen kan worden als een zonnige plattegrond van een stad vol leven en tekens zoals Corneille van de experimentele groep Cobra die schilderde als een magie van rood gebakken aarde, terra-cotta, tussen meren van reseda, de bomen met het mat groen van een biljartlaken.

De stad

De stad ligt grijs en terra-cotta
tussen de meren van reseda
de huizen op zwemvogelvoeten
bewegen zich maar eens per dag.

De archivaris blijft beweren
dat honderd drie en twintig torens
glimlachend op hun tenen staan
met duiven koerend in hun oksels.

De brede straten liggen languit
op hun rug de smalle straten
kruipen achteromziend weg
de grachten neuriën eenstemmig.

Boven de stad een zon van leisteen
boven de stad een maan van leisteen
maar eens per jaar kleden de bomen
zich aan en altijd zingen de vogels.

En ik loop door de brede straten
en spreek de trams aan en de autoos
en spreek een sprinkhaan van een fietser
toe maar hij verstaat het niet.

En ik loop door de brede straten
en groet bekende fietsendieven
en schilder vrouwen op een straathoek
voorzichtig bij het is hun vak.

En langs de grachten op de pleinen
speel ik harmonica en soms
wordt er een raam half opengeschoven
soms kom ik boven voor een nacht.

En ik leef grijs en terra-cotta
tussen de honderd zoveel torens
de huizen op te grote voeten
en de meren van reseda.

Onmisbaar zijn de meisjes, die er altijd zijn. Daarom een liedje voor de meisjes als duifjes. Liedje: Alle roekoemeisjes . van vanavond . alle toedoemeisjes . van vannacht . wat zeggen we daar nu wel van ?  Niets. We laten ze maar zitten . maar zitten maar liggen maar slapen . maar dromen van jaja.

Andreus hield van vrouwen. De bundel Aarde gaat over de liefde, aardse liefde. De vrouwen geven hem rust: ‘nu kan ik eindelijk weer schrijven. zoals het moet of als ik het moet, . warm, onverschillig en bezeten’. Het zijn met een vrouw, met een jij, zoals jij bent:

Bent

Bent mijn wit wad.
Bent mijn licht haar van glans van huid van jonge zeehond.
Bent mijn blanke tikje brede trage dan driftig
trillende bekkenslag.
Bent mijn in een blond bos donkerend bij avond
verborgen lichtrode zachtgelipte
bloem van het vingerhoedskruid.

Bent mijn twee bottels op manen geplant.
Bent mijn mond die ik eet:
een vogelnestje.
Bent mijn ontstellend heldere
zee en lucht met prikkende wimpers.

Bent mijn diep oog
van boeddha, van boeddhesje,
oog van navel in het midden van je godgegeven lijf
en van je helemaal jou,
waar ik rust en
niets meer zeg.

Kort na zijn dood werd hem de Henriëtte Roland-Holst prijs toegekend voor zijn gedichten. De prijs wordt gegeven aan een literator wiens werk uitmunt in sociale bewogenheid en in literaire kwaliteit.

 

 

 

Bronnen:

Hans Andreus, Muziek voor kijkdieren, Uitgeversmaatschappij Holland, De Windroos, 1951, p.5, 20, 28
Hans Andreus, Aarde, Uitgeversmaatschappij Holland, De Windroos, 1962, p. 6, 7
Hans Andreus, Wikipedia, 2025.
Podium, website Literatuur museum, 2025
Historiek, Hans Andreus, bespreking Jan van der Vegt. Hans Andreus (Baarn, De Prom, 1995) (560 p.), 2025

     Andere berichten

Parlando!

door Rogier de Jong   Parlando? Wat is dat? Een nieuw bedachte taal, de opvolger van Esperanto? Nou nee. Zoals elke kunstvorm...

Het is dadelijk dag

Het is dadelijk dag

door Jan Loogman   Kortgeleden bracht mijn vriend Paul Kroes zijn derde roman uit: Vader, Zoon, Engel, een boek waarin een vader en...