Peter Gielissen is filmmaker en dichter, en hij woont in Middelburg. Zijn gedichten ontstaan door de lens van zijn schrijvende camera te richten op thema’s als liefde, tijd en dood. Hij publiceerde eerder op Meander.
Verblindend tegenlicht
–
Soms klinkt een telefoon uitsluitend
in spelonken van je hoofd;
je neemt niet op, nooit op,
want van de limousine naar de goot
is niet meer dan een kleine stap,
en zeker als het avond is, ook op
het kruispunt in de stad of bij
de spoorwegovergang, is er
verblindend tegenlicht;
de regen valt, een camera,
de dashcam van je ziel,
ziet hoe de vergadertafels van je leven
in grote haast en wanorde verlaten zijn.
–
Soms klinkt een telefoon uitsluitend
in spelonken van je hoofd;
je neemt niet op, nooit op,
want van de limousine naar de goot
is niet meer dan een kleine stap,
en zeker als het avond is, ook op
het kruispunt in de stad of bij
de spoorwegovergang, is er
verblindend tegenlicht;
de regen valt, een camera,
de dashcam van je ziel,
ziet hoe de vergadertafels van je leven
in grote haast en wanorde verlaten zijn.
De doffe glans
–
Eenmaal verdwenen bestaan ze
alleen nog maar in blauwdruk,
in vergeten DNA;
verloren bouwstenen
in schilfers en huidresten
te vinden in kieren en naden van
vloeren en muren.
Zoek toch, vergeefs,
en graai in zakken
van vergeten kledingstukken,
in kussens van meubels die
verweesd in kringloopwinkels
wel aan een tweede leven begonnen.
In kroegen en in luchtkastelen,
bij kappers, achtergelaten op
een pen misschien
of in de doffe glans van
een vergeten glas, ergens in
een raamkozijn of
op een vensterbank.
Ergens moeten ze zijn.
–
Eenmaal verdwenen bestaan ze
alleen nog maar in blauwdruk,
in vergeten DNA;
verloren bouwstenen
in schilfers en huidresten
te vinden in kieren en naden van
vloeren en muren.
Zoek toch, vergeefs,
en graai in zakken
van vergeten kledingstukken,
in kussens van meubels die
verweesd in kringloopwinkels
wel aan een tweede leven begonnen.
In kroegen en in luchtkastelen,
bij kappers, achtergelaten op
een pen misschien
of in de doffe glans van
een vergeten glas, ergens in
een raamkozijn of
op een vensterbank.
Ergens moeten ze zijn.
Ommezijde
–
Ik ben aan de ommezijde,
de handen gevouwen,
de blik niet langer
op de horizon gericht,
waar donker geploegde akkers
in strokenteelt
een waar gebedskleed voor mijn
zieltogende zomer zijn.
–
Want waarheen gaat de reis
nu ik een droogbloem ben
in een bouquetreeks zonder plot.
Ik ben aan de ommezijde,
maar nog niet aan de overkant;
ginds roeit al wel de kale robot,
elf bressen in de romp,
tien vingers heeft de veerman slechts
om ze te dichten.
–
Ik ben aan de ommezijde,
de handen gevouwen,
de blik niet langer
op de horizon gericht,
waar donker geploegde akkers
in strokenteelt
een waar gebedskleed voor mijn
zieltogende zomer zijn.
–
Want waarheen gaat de reis
nu ik een droogbloem ben
in een bouquetreeks zonder plot.
Ik ben aan de ommezijde,
maar nog niet aan de overkant;
ginds roeit al wel de kale robot,
elf bressen in de romp,
tien vingers heeft de veerman slechts
om ze te dichten.


