door Jan Loogman
Tegen het einde van zijn boek Vertrek(punt) haalt Julian Barnes een antwoord aan van de dement geworden Jules de Goncourt aan zijn broer Edmond. Toen deze hem vroeg waar hij was, zei Jules: ‘In de ruimte.’
‘Hij was ‘er’ nog,’ schrijft Barnes, ‘ook al betekenden die woorden niet meer hetzelfde als voorheen. Jules en zijn verstand waren op een plek waar ze nooit eerder waren geweest.’ En toch was Edmond ervan overtuigd dat Jules ‘onder dat alles’ nog steeds ‘zichzelf’ was. Deze reactie hebben we volgens Barnes allemaal ‘wanneer we worden geconfronteerd met een dement persoon van wie we houden. Ze zijn niet iemand anders geworden.’ Barnes noemt de conclusie verleidelijk dat ook bij een dement persoon iets van diens identiteit ’hoe verward en stuurloos ook’ lijkt voort te bestaan. Maar, schrijft hij: ‘Aan de andere kant kan dit ook gewoon onze sentimentele hoop zijn, een weigering om toe te geven dat vóór de uiteindelijke afwezigheid absolute afwezigheid heel wel mogelijk is.’
Terwijl Barnes nog in mij naklinkt, ga ik naar mijn voorleestafel. De meer of minder dementerenden die ik daar tref, ken ik pas sinds een paar maanden. Ik heb hen niet meegemaakt toen zij kind waren of gezonde volwassene. De mevrouw die lerares Nederlands is geweest, knikt na elke tekst die ik voorlees. Herinnert zij zich haar vroeger beroep? Is zij nog haar vroeger zelf? Wat weten zij en mijn andere luisteraars van wie zij waren?
We lezen een gedicht van Kopland en terwijl ik de eerste strofe lees, twijfel ik aan mijn keuze ervan: Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin,/ de baas voor mijn hond, het kind in mijn jeugd,/ de oude man bij mijn dood, wie zal dat zijn als/ ik het niet ben? Jij? Ach kom, jij bent niets. Over wie gaat dit, kan een luisteraar denken. Zij (of hij, maar de enige man onder de luisteraars is in slaap gevallen) kan zich afvragen of zij hier niet als nietsnut te kijk wordt gezet. Ik meen onzekerheid bij mijn luisteraars te voelen, maar het kan even zo goed mijn eigen projectie zijn.
Als ik bij de slotstrofe beland, pauzeer ik even, ik kijk naar mijn luisteraars, mensen die hun laatste levensfase in een staat van verwarring doormaken. Heeft hun voortleven zin? Heeft de zorg van hun dagelijkse begeleiders zin? Ik richt me weer op het gedicht en lees: …wie zal mijn liefste grijs en/ ziek laten worden, er voor zorgen dat de hond/ jankt, het kind huilt, en de dood komt? Wie/ zal de appelboom laten verkommeren, de stoel/ voorgoed laten staan in de regen? Iemand toch/ zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat.
Ik vraag mijn luisteraars wat zij van de tekst vinden. ‘Kort, maar krachtig,’ zegt de vrouw links van mij, ik herken haar commentaar, het is haar terugkerende feedback, ongeacht de tekst die we lezen. Dan hoor ik de vrouw die soms ineens een lach op haar gezicht heeft. Wat zeg jij, vraag ik. ‘Rottig,’ zegt ze. ‘Rottig.’
Afbeeldingen:
Edmond en Jules Concourt door Félix Nadar © Commons Wikimedia
Voorleesgroep © Michiel de Vijver op Iedereen leest
Rotte aardappelen © Pixabay
–





