De dodelijke ernst van de liefde
door Francis Cromphout
Jan M. Meier (° te Gent in 1951) debuteerde in 1972 met Figuratie die bekroond werd met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen. Hij was toen redacteur van het tijdschrift Restant, een literair tijdschrift dat ontstond door toedoen van een aantal studenten Germaanse Filologie aan de Gentse Rijksuniversiteit. Later vervoegde hij de redacties van tijdschriften zoals Yang en Deus ex Machina. Hij schreef een monografie over Ivo Michiels in de reeks Ontmoetingen en kritische bijdragen in diverse tijdschriften. Maar pas in 2017 publiceerde hij zijn tweede dichtbundel Engelenspoor., dit bij Uitgeverij P. Het was een heel sterke bundel die op een discrete manier een persoonlijk drama evoceerde.
Hierna verschenen bij P nog vier bundels waaronder Schetsboek. De gedichten van deze bundel toonden een evolutie tot wat in plastische kunstentaal als figuratieve abstractie kan geduid worden. Er greep een soort fragmentarisering plaats waarbij de beelden uit het leven zich reduceerden tot ‘ongrijpbare deeltjes’ die de dichter-‘letterman’ strikte in ‘woordvlechten’. Ik zag daar een evolutie naar een getekstualiseerd dichterlijk bestaan. Dit mondde uit in de trilogie Verstrengelingen waarvan, na deze dubbelbundel (‘Verstrengeling’ en ‘Taalslag’) Verdraaide Liefde de derde titel is.
Zoals verschillende van zijn vorige bundels wordt hier eveneens een symbiose gesuggereerd met het visuele aspekt, ditmaal door middel van de ragfijne tekeningen en schilderijen van beeldend kunstenaar (en dichter) Johan Clarysse. Deze slagen erin om de gedichten een soort van empathische gelaagdheid mee te geven. Als wij het over symbiose hebben, geldt dit echter in de eerste plaats voor de relatie van de dichter met zijn levenspartner, psychotherapeut Diane Ruthgeerts, aan wie deze bundel een intense en veelvormige liefdesverklaring is. ‘Letterman’-dichter Jan M. Meier verlaat hierbij de abstraherende figuratie voor de poëtische autobiografie. De bundel bevat vijf cycli (‘Vernis van verlangen’, ‘Dooikoorts’, ‘Verdraaide Liefde’, ‘Lief’ en ‘Krokantje van verlangen’) die als een soort muzikale suite alle mogelijke variaties op het thema van de ‘verdraaide’ liefde bespelen. Dit in alle tonen en kleuren die hij machtig is, met alle woorden die hij vinden kan, al dwalend ‘in het letterlabyrint van eigen makelei’ en ‘het alfabet [ontgravend]’, maar ook doorheen ‘de seintaal van de ogen’ en als ’tolk van het wederzijds zwijgen’.
De liefde is voor de dichter getaald in de naam van zijn geliefde: ‘liefde in je naam getaald / zo vangen aan de ongeschreven brieven’ en als zij afwezig is, verwoordt hij ‘de nacht van de dichter’ als volgt: ‘hoe ik je bedenk! / In mijn iglo van woorden / bouw ik je / beeldgemis’
‘Verdraaid’ is deze liefde omwille van het feit dat:
in de uitgesleten bedding van het bed
(…) wij draaien de dagen traagzaam om en om
in vanzelfsprekende verstrengeling van lenden
(…) wij draaien de snelle dagen bedachtzaam om
verbinden onze manke ogen in
de opgeslagen woorden van elke dag
seingevers van tederheid.
Er is in deze poëzie een behoedzame omgang met de liefde omdat de broosheid ervan wordt ingezien, want: ‘ er zit rek op / het elastiek naar ster en maan / de minuut die een uur duurt en omgekeerd / (…) en wij in het midden aan een elastiekje’. De dichter schuwt ook de sensualiteit niet, wel op een een wijze die ‘letterman’ waardig is: ‘het teken tussen je benen / een postmodern verkeersbord / onleesbaar als je alfabet / uit zeven schriften gezeefd’. De liefde wordt bij het ontwaken bedreven als een gedicht: ‘zijn hand vingervoets vooruit / hoop op een warme komma / rustpunt voor de eerste zin van de dag / zijn vinger de pen, haar vel het blad’.
De liefde van de dichter is een duale handeling waarbij zij beiden elkaar aanvullen zoals in het prachtige ‘breiwerk’:
op de maat van zijn lichaam
zij meet de trui af aan zijn borst
bekleedt hem ’s avonds
als een paspop, trekt de wol
over rug en romp, mompelt
maakt een stukje los, strijkt glad
zoals hij regels vult en schrapt
morgen gaan ze door op parallelle wegen.
Het gedicht ‘slotscène’ openbaart de dodelijke ernst van dit liefdesspel als een vermomde strijd tegen de vergankelijkheid: ‘ze repeteren in dagelijkse parade / poppenspel van sprookjesfiguur en fantoom / (…) alles om de slotscène voor te zijn’.
In de ontroerende ‘hymne voor de laatste dag’ wordt dit:
als was het een vermomde komedie
lieg alsjeblieft
(…) hef je stem aan, geef me dagelijks die laatste dag
alsjeblieft, lieg.
____
Jan M. Meier (2025). Verdraaide Liefde. Uitgeverij P, 64 Blz. € 21,50. ISBN 9789464757934




