LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Maria Barnas – Tussen mij

25 feb 2026

De zwaartekracht van bestaansschaamte

door Johan Reijmerink




De ik-persoon in de nieuwe bundel van Maria Barnas Tussen mij (2026) neemt steeds in wankelmoedigheid op een andere manier tegenover zichzelf en de buitenwereld een andere positie in. De bundel bestaat uit vier afdelingen met overwegend strofische gedichten in wisselende vormgeving, met en zonder titel, voorafgegaan door een citaat van singer-songwriter en dichter Patti Smith: ‘And so, though visible to all, I would sometimes disappaer’. Daarin schuilt een diep verlangen om op gezette tijden voor zichzelf en de ander te verdwijnen.

Al in het eerste gedicht ‘Ssshr’ van de gelijknamige afdeling maait de ik met een shredder in de tuin om de dove slakken heen. In de ogen van de starende schapen achter het tuinhek spiegelt zich ‘een vrouw aarzelend / aan de rand van een afgrond.’ Het is tegelijk een vrouw vol pretenties, gelet op de dansbewegingen van haar shredder. Daaruit spreekt het verlangen ‘grip te krijgen / op het slijmerige leven // zacht genoeg om niet dood’ te willen. Met het maaien van het gras waarin de slakken zich bevinden, ziet ze onder ogen hoe vernietiging aanvangt. Dit gedicht toont al direct de ambivalente houding die de hele bundel door de boventoon voert. Er spreekt een verlangen naar grip op het leven uit. Aan een uitbottende tuin en de vogels die in de lucht scheren, laat zich liefde en geluk aflezen: ‘We vallen met wijde / vleugels die liefde // storten met volle / kruinen voorover.’

De ik weet zich in het gedicht ‘Vlucht’ bevangen door de liefde voor een man die ze wil kussen en aan wie ze een dode vogel wil laten zien. Omdat dat niet lukt, is ze daarna ook niet meer in staat om haar gevoel van liefde voor deze man te tonen. Duidelijk is, dat de ik bevangen raakt door schroomvalligheid zichzelf te tonen. De naamsverandering van Maria in Mariken in ‘Wij’ geeft de ik de indruk als ware de ik door een ander vervangen. In het gedicht ‘Aftekenen’ treedt de zelfvervreemding nog sterker op. De ik herkent zichzelf niet meer, een andere vrouw gebruikt haar stem. Ze weet niet meer waar ze zich bevindt, en lijkt daadwerkelijk afstand te nemen van zichzelf als ze noteert:

Ik begin te zwaaien om iets

af te tekenen. Ik zwaai en ik
zwaai tot ik het zwaaien zelf ben
geworden en men zegt daar stond ze

de waaier. Ze heeft geen mond.

De droom, de zelfvervreemding, het opgaan in het Al zijn elementen die aan deze eerste afdeling een ervaring van depersonalisatie meegeven.

In de tweede afdeling ‘Ben je de paarden weer aan het vermijden?’ vraagt de ik in het gedicht ‘Twee’ zich af of ze in de relatie wel past.

in het volledige wij dat we waren?

We waren twee! En het gras was hoger
de hemel wilder dan woorden
ruimer dan wij

Bravoure en angsten wisselen elkaar af in het samenzijn. Een zekere sprakeloosheid treedt op over het eigen zijn en kleuren van halleluja-roze wolken staan te wachten. De ik voelt zich door alle wisselende stemmingen heen toch wel ‘gorgelend’ oké.

In het gedicht ‘Raakgodin’ speelt de ik met de letter ‘w’ en vertolkt zij het verdriet over het verlangen naar een kind. Dit alles roept ‘de vragen / met de kracht van w / raakgodinnen’ op, die ‘opvlammen in onze woede // om hoe ons het zwijgen werd’ opgelegd. Dezelfde demonen houden in het gedicht ‘Natuurlijk’ schoolmeisjes in hun greep. De film die de godsdienstleraar draait, vertoont spastische meisjes in hun sprakeloosheid: ‘zehebbenhetverdiend’. Het laat een beeld van de dood zien dat ons lijkt op te sluiten in onze lichamen. Van deze beelden gaat opnieuw een bezwerende beklemming uit, gelet op het Oog der Voorzienigheid dat over ons waakt: ‘het oog / omrand door een driehoek’.

In het gedicht ’En trouwens’ vraagt de ik zich of ze wel een ‘inner child’ heeft, ‘of ben / ik iemand anders misschien / als ik haar moet omhelzen / ben ik dat dan niet zelf?’ Weer die innerlijke twijfel: ben ik goed zoals ik ben? Elke innerlijke oriëntatie lijkt onmogelijk te zijn: ‘Waar ben ik als ik heel / iemand anders’ ben. De vraag wordt niet beantwoord, omdat hij zich niet goed laat beantwoorden dan enkel door gewoon zich aan het leven toe te vertrouwen. Telkens weet de ik zich in ‘Aanval’ belaagd door het onheilspellende angsten. De stampende hoeven van paarden in de nacht roepen die angsten op. Deze afdeling toont twijfel over de eigen identiteit, omgeven door onheilspellende angstbeelden.

In de derde afdeling ‘Pillen en sneeuwvlokken’ met titelloze gedichten verhaalt de ik over een dichter ‘die altijd bang’, en dwangmatig was. Hij slikt pillen, is depressief en sluit zich op in zijn kamer: ‘Waren het zijn angsten die de mijne / deden verstommen? Was dat waar ik van hield / wat o liefde?’ Een dwangmatige liefde die uitloopt op een dreigement van zelfdoding door de dichter als de ik hem zou verlaten. De ik wil niet spreken over de dood die in de agenda stond aangekondigd. Een vriendin leidt haar naar de schemerkamer waar de dode ligt, waar niet alleen ‘mehr Licht’, maar ook ‘mehr nicht’ kan zijn. De ik mag, o ironie, iets uitkiezen als herinnering, waarop de vriendin zegt: ‘Ik zou kiezen dat je blijft leven / zeg ik niet ik zeg niets’. Het hele tafereel is omgeven met verdrietige herinneringen.
‘De plassen op het plein / dragen een zwarte hemel / die omslaat in mij.’ Dit verbeeldt de droefgeestige stemming waarin de ik gevangen zit. Waanzin heeft:

geen jurk (…) die je aan- en uittrekt
en kwijt kan op Vinted met een vlek
voor je gezicht om anoniem te blijven
of je zelfhaat een plek te geven
en liefde net zomin of niet.

Welke bewoner voorzien van hoogwaardige zorg heeft weet van deze ervaring? Hoe dan ook: ‘We zullen vallen // en ons als sneeuwvlokken / die zich niet herhalen herhalen’. Deze beelden over leven en sterven stellen ons niet gerust. Die gewaarwording van vrees, onvermogen, aanvechting en tweestrijd wisselen elkaar af. We zien een ik wankelend op zoek naar een innerlijk evenwicht.

De titel van de omvangrijke vierde afdeling ‘Ghosts and how to see them’ herinnert aan het gelijknamige boek (1993) van de Britse parapsycholoog Peter Underwood (1923-2014). Het ‘Lied’ opent met de bijzondere schaal ‘die een moeder bewaarde’ voor als er gasten op bezoek kwamen: ‘De gasten konden elk moment!’ Het woord ‘komen’ ontbreekt. Op dat moment hebben we van doen met een droomverschijning. De angst dat de schaal in het donker zou breken, houdt tegelijk een verlangen naar saamhorigheid in.

In het gedicht ‘Uit ons bestaan’ bekent de ik dat ze het bewustzijn ‘niet onder / het wakende wil plaatsen’, want ‘beelden herhalen zich in een droom / waarin ik graag sluimer.’ Niet alleen in de droom vangt de ik het geluk op, maar ook overdag als ze met de tram langs Artis rijdt en een glimp opvangt ‘van flamingo’s’. Bij het bekijken van de panters in het gedicht ‘Nabeelden’ samen met een keurig geklede vriendin die weet hoe het hoort, op zo’n moment is geluk voor de ik niet anders dan ‘een dier dat nergens heen kan / en (…) gromt.’ De ik verbijt zich dan ‘om wat een wil // moet zijn die sterk is en zelf’. De ik vraagt in het gedicht ‘Tegenactie’ tijdens het poetsen zich af of alles in haar leven bruikbaar is om over te schrijven. Ze wenst zichzelf daarbij de zelfverzekerdheid toe die ze bij het poetsen wel ervaart. Die onzekerheid zet zich voort in ‘Expliciet’ waarin de vraag aan bod komt of het lichaam dat ik ben of heb ‘wel van mij is’.

In het gedicht ‘Ghosts and how to see them’ vraagt de ik zich af of het niet heerlijk is om meer een denkbeeldige gedaante te zijn dan aanwezig te zijn. Zeker als het gaat om het uiterlijk van het vrouwenlichaam dat niet door vrouwen bepaald: ‘Laat mij zomaar / zijn en bij vlagen wij.’

Het omvangrijke titelgedicht ‘Tussen mij’ vertelt het verhaal van de moeder met kinderen op de achterbank die vertelt over haar zoektocht naar kinderen en in paniek raakt ‘toen ze er geen vond / om te dragen.’ Ze heeft overal gezocht. Gaandeweg gaat het na deze eerste zoektocht in het gedicht over de onzekerheid bij het schrijven: ‘Hoe moet iets ontstaan / op een plek die door anderen is klaargezet?’ Maar ergens is er die balzaal onder het meer,

en alles wat ik nooit heb geschreven en alles
wat ik nooit zal
omringt ons

de afstand tussen mij en mijn
te wijd de afstand
tussen mij

Wat de schrijver wil vertolken, het laat zich niet geheel omvatten.

In het gedicht ‘Echo’ komt het woord ‘bestaansschaamte’ voor. Waarom belt de man niet die van mijn hart een echo maakte? Kan hij soms mijn hart niet vinden?

Waar moet ik dan heen met mijn vragen
over vrouwen die afwezig zijn? Waar zijn we gebleven of is dat
niet zijn terrein? Ken hij de schaamte dan niet de zwaartekracht

van bestaansschaamte en pijn ja is een echokamer.

De ‘zwaartekracht’ of natuurlijke noodwendigheid is niet alleen alomtegenwoordig en onontkoombaar in de natuur, maar ook in de cultuur. We slagen er lang niet altijd in contact met andere mensen goed tot stand te brengen of in stand te houden. Schuilt daarin onze schaamte in dit bestaan? Zodra we erkennen dat er wetmatigheden in het spel zijn, hebben we nog wel de mogelijkheid om ons tot de ander en onszelf goed te verhouden, en onze ‘bestaansschaamte’ te overwinnen.

In het gedicht ‘Mui’ zegt de ik: ‘Vergeet me niet je selfie te sturen om zeker te weten wie je bent’ om daarmee de wijdte tussen mijn zelfbeeld en een ontbrekende gelijkenis te kunnen vaststellen. Uit alles blijkt dat de ik zich misschien te serieus neemt. In het landhuis ligt de ik met ingehouden adem ‘om de indruk van onbelemmerde verten/ te wekken’.

In het laatste gedicht ‘Schaduw zonder vrouw’ lijkt de vrouw verdwenen ‘onder en boven de zaal’. Haar ikken verlaten de zaal synchroon.

Dit is slechts enzovoorts
maar het is mijn nacht.

Zien de ogen haar nachten?
Een schaduw trekt om
manen die niet knipperen

Al met al heeft Barnas een intrigerende bundel geschreven waarin het psychologisch zelfonderzoek naar haar binnen- en buitenwereld afwisselend zwaarwichtige gevoelens van bestaansschaamte, onzekerheid en wilskracht heeft laten zien. En dat alles verwoord in een eigenzinnige beeldtaal.

____

Maria Barnas (2026). Tussen mij. Uitgeverij Van Oorschot, 88 blz. € 20,00. ISBN 9789028253032

     Andere berichten

Inger Christensen – alfabet

Inger Christensen – alfabet

Revisited door Yvan De Maesschalck - - Er lijkt op het eerste gezicht een onoverbrugbare kloof te gapen tussen wiskunde en literatuur. En...

Xavier Roelens – Wildnissen

Xavier Roelens – Wildnissen

De moed om anders te leven door Francis Cromphout - - Xavier Roelens (°Rekkem, 1976) heeft een prominente rol gespeeld in de Belgische...