LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Over de dichter

15 feb 2026

door Hans Franse

 

Ik werk aan het afmaken van een nieuwe bundel: Luister rijke kijk dagen. In die bundel is een soort cyclus waarin het over gedichten en de dichter gaat. Dat houdt me bezig, gepokt en gemazeld als recensent bij Meander. Daarbij komt dat ik onlangs een dame ontmoette, die mij drie visitekaartjes overhandigde. Mooie, zelfs chique visitekaartjes. Op het mooie witte kaartje met het vignet, stond de naam en daarachter: ‘dichter, performer, publicist’. Het tweede was van een romantisch lichtblauw. Ook daarop werd na de naam als eerste vermeld ‘dichter, daarna ‘verhalenverteller’ en ‘schrijver. En ook het derde visitekaartje begon met de functie ‘dichter, zij het in de vrouwelijke vorm, waarna ‘voordrachtskunstenares’ en ‘publiciste’.

Met belangstelling luisterde ik naar haar voordracht die van een grote zekerheid in eigen volmaaktheid getuigde. Ik vond overigens dat haar poëzie weinig bijdroeg aan de ontwikkeling van de Nederlandse letterkunde. Toen ik voorzichtig wat kritiek opperde, was de dame beledigd en vond dat ik op mijn leeftijd (86) geen kritiek op jongeren diende te hebben. Ik heb de schrobbering aangenomen en was er nog meer van overtuigd dat mijn aarzeling, mij als ‘dichter’ voor te stellen, niet zo gek was. Iemand die een ‘echte’ dichter is streeft naar het perfecte of heeft dat perfecte al bereikt. Ik zou graag een perfecte dichter zijn, maar er is nog zo veel te bereiken tot ik het gedicht kan schrijven dat alle andere gedichten overbodig maakt: ik noem mij maar ‘letterkundige’. Dat volmaakte lijkt voor mij niet meer haalbaar. Zeker als oude dichter heb ik niet zoveel tijd meer om mij te perfectioneren
Hoe komt het dat men zo gek is om dit etiket ‘dichter’ op het werken met taal, wat soms tot ware poëzie leidt, te plakken? Zij was zeker niet de enige. Misschien is de nadruk in deze samenleving op marketing en presentatie actueler dan mijn misschien wat romantische gevoel van de taalsmid, de magiër, de profeet.

Ik heb opgezocht wat er over de betekenis van dichter en gedicht gezegd is. Ik begon in mijn woordenboek van Koene/Endepols ‘Handwoordenboek der Nederlandse taal’: dichten, dichtte, h. gedicht (dichtmaken, stoppen) een lek…’ Doet me denken aan een puntdicht van Huygens:

‘Vraeght ghy wat Sneldicht voor een dicht is?
Het is een Dicht dat snell en dicht is’.

Uiteraard zocht ik in Koene naar ‘dichter’, een verrassend lemma:
dichter, -s (iem. die de gave heeft (goede) verzen te maken). Het sprak mij aan dat een onzekerheid werd uitgedrukt, te zelfder tijd wordt dat een soort aarzelende verwijzing naar een vereiste kwaliteit. 

Van Dale is uitgebreider:
dichter:1. maker van een gedicht : de dichter van de Reinaert; wat bedoelt de dichter hier?
2
Iem. die de gave heeft verzen te kunnen schrijven en dat min of meer geregeld doet: wij hebben vele dichters; in versterkte betekenis: iemand wiens verzen echte poëzie zijn.
3 iem. die als een dichter voelt (en tewerkgaat)

Ik zocht ook dichterschap op: ‘Dichterschap: het dichter zijn: poëtische begaving: (zijn dichterschap is onbetwistbaar)’.

De onlangs overleden Leonard Nolens schreef in zijn dagboek op maandag 28 december 1987 ‘…Misschien heeft het geen zin, veel vragen te stellen naar het hoe en waarom van je gedichten. Laat ze gebeuren. Laat ze blijven gebeuren. En heb geduld, want als het gedicht jou zoekt moet je klaarstaan. Blijf aan je tafel zitten. En begin niet te drinken uit angst voor de leegte, de stilte, het wit.’    

De naar Zuid-Afrika uitgeweken dichter Willem Hessels schreef een gedichtje over dichten

Dichten

Dichten is dromen met open ogen
en zolang kijken, tot de starre wand
tussen de dingen wijkt, en geen afstand
mij langer scheidt van gindse bewogen

ruisende bomen en de witte zwanen
van wolken die daarboven staan,
en in het vochte blauw mijn ziel kan gaan en
zich wassen als de ronde pure maan, —

dichten is dromen met open ogen
en bij levende lijve ver zijn weggegaan.

Heel dramatisch schrijft de Vlaamse tachtiger Prosper van Langendonck over het dichterschap. Ik vond dit in een van die verrukkelijke bloemlezingen uitgegeven door de ‘Mij. van goede en goedkope lectuur’, deze is uit 1918.
‘..een sterke geest gaat zijn eigen gang. De zwakke begint met het opdienen van aangeleerde algemeenheden en aphorismen, gemeengoed van ‘t menschdom, het nazeggen van woorden, waarvan hij den diepen zin niet vat, het valsch nazingen van melodieën. Den wezenlijken dichter schijnt niets waar, niets zijn eigen goed, zoolang hij ‘t niet heeft kunnen voelen, waarnemen en laten vergroeien tot zijn merg en been; zolang hij ‘t verband niet heeft gevoeld tusschen de dingen, en dóorvoelt zijn betrekking tot de algemeene waarheid. Hoe meer en dieper betrekkingen hij doorleeft, des te meer leeft hij op in de gezamenlijkheid, des te vollediger wordt hij mensch; zijn werk geeft meer en meer van het menschelijke weer en wordt algemeen: Classiek …’

Wat ik een beetje mis in deze diepzinnige definitie is dat het toch ook om een zwaar ambacht gaat, waarbij je hard moet werken en steeds schrappen. Staring, die zeer zorgvuldig schreef en nadacht over dichten schreef er twee puntdichten over waarin hij zegt dat je moet schaven, maar in het tweede waarschuwt hij toch om het spontane er niet uit te halen.

Werkend aan een artikel over Walt Whitman (hij dichtte Amerika en was van Nederlandse afkomst) vond ik in een inleiding bij The complete poems een heel mooie ‘…For Whitman, it is evident that the poet is not the Romantic shaper and transformer of reality, possesing what Coleridge called ‘the shaping spirit of imagination…’ and its capacity to invest nature with meaning and identity. For him the poet is someone who absorbs and internalises the world’s phenomena and who values them for what they are rather than for what they might become…’

Kortom: er is weinig eensluidends over wat een dichter is. Iedereen mag vinden wat hij vindt als er maar kwaliteit is. Ik ben maar gestopt met zoeken, er kwam zoveel op mijn pad.

Mag ik tenslotte uit een gedicht citeren Een dichter is… uit mijn nieuwe bundel. Ik citeer alleen de laatste strofe, de eerste twee beschrijven wat hij niet is.

Weet je wat een dichter wel is?
Gewoon, een dichter
die woorden vist uit de stromende rivier
van de tijd of langs de weg
waar de auto’s razen
of in de stad
waar hij tussen de mensen staat
en noteert: gewone mensentaal.
Af en toe praat hij erover
of schrijft het op: heel gewoon.
En soms zingt hij.

Ach ja, het is tenslotte poëzieweek als ik dit schrijf.

 

     Andere berichten

Hans Andreus honderd jaar

Hans Andreus honderd jaar

door Jan van der Vegt     Hans Andreus, 1959, foto © Edith Visser, collectie Literatuurmuseum   Het gedenken van een...