‘Twaalf lezers en een snurkende recensent’
door Marc Bruynseraede
Eenieder die de poëzie genegen is en er interesse voor betoont hoe ze precies in elkaar zit, mag zich verheugen in de jongste uitgave van Classicus Paul Claes ‘Poëtica’, met als ondertitel: ‘ABC van de dichtkunst’. In korte, bevattelijke en goed gedocumenteerde hoofdstukjes geeft Paul Claes, op 150 pagina’s, weer wat voor hem (hoofdstuk 1) de definitie is van poëzie, (hoofdstuk 2) de soorten poëzie, (hoofdstuk 3) de structuur, en (hoofdstuk 4) de functie van poëzie om af te sluiten met (hoofdstuk 5) coda. Let wel: het is geen voorschrift maar een aanreiking van mogelijkheden. Je kijkt binnen het raderwerk van de poëzie, wat geen garantie is om ze te verstaan. Maar je krijgt wel zicht op de trukendoos van de poëten.
Wie de berg Parnassus wil beklimmen zal aan dit boek dus een deskundige, up to date gids hebben, die een ruime kennis en techniek serveert, gaande van een bloemlezing aan definities van poëzie, wat poëzie eigenlijk is en wat het onderscheid is tussen poëzie en proza. Zoals Simon Vestdijk welluidend schreef: ‘het wezen der poëzie is daarin gelegen, dat poëzie geen proza is’.
Om zijn betoog te staven gaat Paul Claes terug tot de tijd van Grieken en Romeinen. Quintilianus, Horatius, Vergilius en Propertius verschaffen ten overvloede voorbeelden die de theorie illustreren en wijzen op het vroege ontstaan van bepaalde begrippen. Ze betogen dat poëzie bij de Romeinen tot het vaste leerpakket behoorde van kinderen op school. Poëten werden toen als een achtbare, hoog gewaardeerde mensensoort gerekend. Dat is thans, in West-Europese landen, niet meer het geval. Paul Claes schetst, bij het einde van zijn zo rijkelijk gestoffeerd essay, een weinig opbeurend beeld van de invloed van poëzie op de maatschappij:
‘Vandaag de dag is de sociale impact van de westerse poëzie verwaarloosbaar. Bundels hebben een beperkte oplage en bereiken alleen een nichepubliek. Kennelijk zit niemand echt te wachten op het woord van de dichter. Spokenwordperformers, stadsdichters en Dichters des Vaderlands overleven alleen dankzij beurzen, toelagen en gesubsidieerde optredens. Zelfs de veel geprijsde en geprezen Hugo Claus voorspelde voor zijn bundel Alibi slechts twaalf lezers en een snurkende recensent.’
Geen opbeurend vooruitzicht, dus, voor lieden die zich met poëzie verdienstelijk willen maken in de maatschappij.
Wat is poëzie ? Paul Valéry zegt daarover: ‘De meeste mensen hebben zo’n vaag idee over poëzie, dat de vaagheid van hun idee voor hen de definitie is van poëzie’. De auteur ziet zes functies van het taalgebruik in de poëzie en hij licht die functies toe met sprekende voorbeelden. Zo lezen we, als voorbeeld van stafrijm in de poëtische functie, (herhaling van de beginklank) Heil Hitler en Heerlijk, helder Heineken. Niemand twijfelt aan de impact van deze mokerslagen.
Na de beschrijving van de soorten poëzie (epiek, dramatiek, lyriek) en de typering van de soorten lyriek (gelegenheids-, situatie-, liefdes- en natuurlyriek), telkens gelardeerd met knapperige citaten (weliswaar niét aan Einstein toegeschreven) is er nog een paragraaf gewijd aan de ‘lichte poëzie’ zoals ze door bijvoorbeeld Drs. P. (Heinz Polzer) bedreven werd. Hendrik de Vries, die een beetje verder in het boek geciteerd wordt, vertaalde de volgende Spaanse Copla die wij graag in dat lichtere genre klasseren:
Voelde mijn pols en besloot:
‘Zolang dit kind maar blijft leven,
Gaat het in geen geval dood.’
Vanaf pagina 59 ‘Structuur van Poëzie’ wordt het echt interessant. Hier wordt de ordening van dichtbundels beschreven. De titel van een gedicht en de structuur van het gedicht. Vervolgens komt de gelaagdheid van poëzie aan bod, met daarin te onderscheiden de taalniveaus en illustratie daarvan. De typografische, fonische, syntactische, semantische en pragmatische laag laten zien hoe taalwetenschap de autopsie van een gedicht kan verrichten en wat daarbij aan het licht komt. Voorbeelden van elk van die lagen maken het alles wat bevattelijker en aanschouwelijk.
Interessant is de analyse te lezen die aan het einde van de gelaagdheden beschreven wordt als ‘Evolutie van het Nederlandse vers’. Onder de laatste twee paragraafjes ‘Modernisme’ en ‘Postmodernisme’ worden Van Ostaijen en Marsman ten tonele gevoerd als woordvoerders van het vrije vers en de losse regelval. Het rijm wordt definitief (?) in vraag gesteld. De Vijftigers bestendigen hun hang naar het vrije vers en de ‘atonale’ poëzie. En de ‘écriture automatique’ bevestigt de tendens naar absolute vrijheid zoals de dadaïsten en surrealisten. Is dit een chronologie van literaire verschijnselen of een interpretatie ervan ?
Over het postmodernisme schrijft Claes:
‘’Vandaag heerst er in de poëzie een verfrissende pluriformiteit. Hermetische dichters spelen met bladwit en regellengte. Postmodernisten wisselen collages en readymades af met grafische en soms zelfs digitale experimenten. Beoefenaars van plezierpoëzie proberen de zelfopgelegde beperkingen van maat en rijm virtuoos te overwinnen. Slamdichters leven zich uit in de klankassociaties van raps die zij ‘rijmen’ (rhymes) noemen.’’
We hoorden Dirk de Geest (Faculteit Letteren KU Leuven) quasi hetzelfde zeggen, ten tijde van de beoordeling van de Karel Van de Woestijneprijs 2025, toen de poëzie ter tafel lag van Charlotte Van den Broeck en vier andere genomineerde dichters. (meer hierover in mijn column aanstaande zaterdag onder de titel: ‘Queen Charlotte wint de Karel Van de Woestijneprijs voor poëzie’). Poëzie vandaag de dag is een pluriform verschijnsel. Of is dit een eufemisme voor: ‘We-weten-het-zélf-niet-zo-goed-meer’ want we zitten er met onze neus te dicht bovenop. Misschien zal onze hedendaagse poëzie makkelijker te duiden zijn over vijftig jaar.
Hoofstuk 3, ‘Structuur van poëzie’ levert inzicht in de evolutie van de taal van een gedicht, door de tijden heen, al vertoeven we hier nog steeds in de ‘machinerie’ van de dichtkunst. We zijn nog steeds op zoek naar antwoorden wat de poëzie ons eigenlijk wil brengen. En hoofdstuk 4 ‘Functie van poëzie’ tilt gaandeweg een tipje van de sluier op, hoewel een denker als Jean Cocteau dan weer de verwachtingen tempert met zijn uitspraak: ‘Je sais que la poésie est indispensable, mais je ne sais pas à quoi.’ Ik weet dat poëzie onmisbaar is, maar ik weet niet waarvoor.
Wat verderop bij het paragraafje ‘Het doel van poëzie’ schrijft Paul Claes:
‘Abstract genomen kan kunst drie doeleinden nastreven: het goede, het ware en het schone. Ethische poëzie wil de wereld beter maken; didactische poëzie wil kennis verspreiden, esthetische poëzie wil de waarneming verfijnen.’
En in de laatste titel ‘Het principe van de poëzie’ lezen we:
‘De mens is een ongelukkig dier. Omdat het slecht toegerust is voor de strijd om het bestaan, slaagt het er alleen in als groepswezen te overleven. Fundamenteel daarbij is het spraakvermogen dat het mogelijk maakt te comuniceren en zich te organiseren. (…) Ieder mens deelt met zijn soortgenoten het tragische besef dat hij fundamenteel alleen is, dat het bestaan uitmondt in het niets en dat al zijn gezwoeg op aarde zinloos is. (…) Beter dan wijzelf verbeeldt de dichter onze angst en ons verlangen, onze hoop en onze wanhoop, onze dromen en onze radeloosheid, ons leven en onze dood.’
Hoofdstuk 5 ‘Coda’ reikt de leeswijzer aan: de methode om poëzie als een vorm van gecodeerde communicatie te lezen en te interpreteren, door het ontcijferen van de verschillende taallagen.
Alles bij elkaar: een meer dan leerrijke uitstap naar het analyseren en begrijpen van structuur, vormgeving en inhoud van het gedicht. Poëtica is dus een onmisbare handleiding voor mensen die van poëzie houden en haar willen begrijpen in haar meest diverse verschijningsvormen en verborgen onderlagen.
____
Paul Claes (2025). Poëtica – ABC van de dichtkunst. PoëzieCentrum, 176 blz. € 24,00. ISBN 9789056553920




