door Willem Tjebbe Oostenbrink
Zelfreferentie is een formulering waarbij een uitspraak, systeem of object naar zichzelf verwijst. Het speelt een rol in logische paradoxen (zoals ‘deze zin is onwaar’) en komt voor in informatica en filosofie.
Zelfreferentie tref je ook aan in de natuurlijke taal en daarmee in poëzie en humor. Bij de paradox wordt vaak de afbeelding gebruikt van de slang die zichzelf in de staart bijt. In de kunst heb je ‘Ce n’est pas une pipe’ (Dit is geen pijp) als tekst onder de afbeelding van een pijp.
Bij taal kan de paradox ontstaan doordat de spreker deel uitmaakt van de groep waarover hij een bewering doet, waardoor de uitspraak met zichzelf in tegenspraak is. ‘Alle Kretenzers zijn leugenaars’, sprak de Kretenzische filosoof Epimenides. Het is de klassieke logische paradox (leugenaarsparadox). Vermoedelijk zou dit geen paradox zijn als we de oorsprong van de spreker niet kenden.
Zelfreferentie komt veelvuldig voor bij humor, het veroorzaakt verwarring of een lach, of iets er tussenin. Binnen poëzie ontstaat zelfreferentie als de dichter pogingen onderneemt om het onzegbare te zeggen. Het onbenoembare wordt benoemd. Zoiets als de Zangeres zonder Naam en BZN (Band Zonder Naam). En ondertussen hebben ze wel een naam, en wordt het onzegbare met behulp van een halve zin toch gezegd. Zo kan alles een naam krijgen en wordt alles benoemd. Toch lijken ook deze in tweede instantie benoembare dingen voor veel mensen onbegrijpelijk te blijven. Of men vindt deze wijze van naan geven niet bevredigend. Dat lijkt op zich begrijpelijk, maar het valt nog niet mee uit te leggen wat precies niet te begrijpen is, als je het wel woorden kunt geven?
Het is onbeschrijflijk mooi, zegt iemand stamelend van geluk. En ondertussen heeft diegene een overtreffenderste trap bedacht voor allermooist. Gek genoeg, bedenk ik, hoor of lees ik zelden: Het is onbeschrijflijk schitterend. Het is zo verdrietig, daar zijn geen woorden voor, weer wel. En ondertussen zijn er woorden gevonden, of een halve zin.
Of je probeert uit te drukken wat je niet kunt bevatten. Alsof je bij een hek staat, je steekt je hand uit door de spijlen, maar hoe je je arm ook rekt, je vingers strekt, het is niet te (be)grijpen. Je kunt er met je hand en verstand niet bij.
De lach blijft in veel gevallen eigenlijk ook ongrijpbaar. Het lijkt alsof we vaak niet weten waarom gelachen wordt. Grappen kunnen uit de hand lopen of iemand stelt dat het geen grapjes zijn. Of iemand roept dat het een dure grap is. Daarbij wordt de kwaliteit van de grap zelden ter discussie gesteld; bij dure grappen gaat het altijd om veel geld. Op zich vinden we het wel goed dat grappen geld kosten. De theaterbezoeker betaalt een avondje cabaret. Daar worden we ernstig toegesproken, terecht gewezen, en soms bespot door een cabaretier die met grappige vermaningen en persoonlijke ontboezemingen met enige twijfel het midden houdt tussen een dominee en een peptalk coach.
Grappen kunnen zelfreferentie bevatten, een cirkelredenering, waar je niet uitkomt, maar het is algemeen aanvaard om niet te lachen om eigen grappen. Maar wat als iemand om zijn/haar eigen grap lacht, omdat die leuk is?
Goeie grappen kosten geld
Laatst trof ik iemand die een bijzonder verhaal had. Tijdens het
vertellen maakte hij een opmerking waar niemand om lachte,
behalve hijzelf. Doordat hij lachte, zag ik dat hij een leuke
opmerking dacht te maken.
Toen dat een tweede keer gebeurde, vroeg ik: Wat zit je nu te
lachen? Denk je dat je leuk bent?
Nou, zei hij, eerlijk gezegd, probeerde ik het te zijn.
Kennelijk is dat niet gelukt, zei ik.
Ik heb een cursus grappen maken gedaan, legde hij uit.
Dat is dan weggegooid geld, merkte ik op.
Nou, dat hoeft niet beslist, opperde hij. Ik doe nu de
vervolgcursus ‘Humor voor gevorderden’. Ha ha.
Jij lacht kennelijk altijd om je eigen grapjes.
Ja, zei hij, want die snap ik tenminste.
afbeelding Pixabay
–


