De wording van een dichterschap
door Johan Reijmerink
–

–
De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef. Veel dichters en recensenten vroegen zich af wie er achter deze bundel schuilging. Daarnaast was de kwaliteit van deze vormvaste, verhalende en toegankelijke bundel verrassend goed. Dat geldt opnieuw voor haar nieuwe bundel Fausta (2026). We weten echter sinds de onthulling in de Poëziekrant van januari 2026 dat Lodewijk van Oord de dichter van beide bundels is. Op het einde van dit epische gedicht schrijft de ‘notulist van dienst’ de laatste versregels. Hij bekent ‘met plezier dat Evi en haar woorden’ uit zijn fraaie duim getoverd zijn. In die laatste verzen staat het acrostichon LODEWIJK als bewijs voor zijn dichterschap.
Opnieuw verrast Aarens ons met een omvangrijk episch werk dat bestaat uit 34 canto’s in vier genummerde afdelingen, bestaande uit jambische terzinen. De inhoud en omvang van het gedicht Fausta herinneren aan de beroemde epische gedichten van Homerus, Vergilius, Ovidius en Goethe, in het bijzonder De Goddelijke Komedie van Dante. Net als Beatrice maakt Evi een imaginaire reis, niet langs hel, aarde en paradijs, maar langs zeven tuinen waarin ze ervaringen kan opdoen voor haar aankomend dichterschap. De ik is zowel auteur als actor in dit epische gedicht. Ze laat zich niet door een man, maar door vrouwen als Kalliope, Penelope, Helena en Beatrijs leiden. Het gaat om poëzie ‘zonder doel of een ethiek zonder moraal of waarde / Zonder norm: er is echt alles in de wereld het is alles’. Het is bovenal een imaginaire reis over de wording van een dichterschap. Wat de getallensymboliek betreft zijn er niet 33, als getal van volkomenheid, maar 34 canto’s geschreven. De afdelingen hebben ook getallen met symbolische betekenis voor de wording van het dichterschap. Er zijn niet drie wereldkringen, maar zeven tuinen waar kennis en inzicht moet worden opgedaan. Naast de klassieke epen betrekt Aarens er ook nog verschillende figuren uit de Nederlandse literatuur bij, zoals Beatrijs, Karel ende Elegast en Vanden Vos Reinaerde die haar volgen en inspireren. Daarmee positioneert Aarens zich als dichter in een omvangrijk speelveld van buiten- en binnenlandse literatuur.
Het lyrisch subject meet zich, gezien de titel, met de Faust van Johann Wolfgang von Goethe. Aarens deelt niet alleen de verwondering met deze beroemde dichter, maar ook zijn hang naar vrijheid en ongebondenheid. Boven alles is ze overtuigd van haar missie de Nederlandse letterkunde een onweerstaanbaar episch gedicht te bezorgen. Daarvoor lijkt zij op aarde te zijn. Aarens wil ons in vier afdelingen laten zien hoe een dichterschap zich ontwikkelt. Daarom wil ik mij slechts op enkele passages uit de tekst richten.
[Getal 5 – onafhankelijkheid] Aan het begin droomt de ik van ‘Een taal die oud en toen met nieuw en thans verbindt.’ Ze wil de mensen hun verbeelding teruggeven. Met die wens van de muze Kalliope gaat de ik op zoek naar ‘één ontvankelijke kunstenaar’. De ik neemt boven op de toren aan zee een meisje waar die ze ‘verleiden kan met het talent / Een episch dichtwerk bij te dragen aan haar tijd.’ De vraag is of het meisje zich aan een wonder wil overgeven. De muze Kalliope openbaart zich aan haar en maakt het meisje duidelijk dat ze de gave moet beschouwen ‘als / Het startschot van een levenstaak’. De prijs is dat ze in anonimiteit haar opdracht moet volbrengen. Kalliope ziet in haar een klassiek maar ook merkwaardig eigentijds debuut: ‘Haar verzen streven naar / een technisch en een literair-historisch meesterschap.’ Op haar rechterschouder zijn de woorden ingekerfd uit het toneelstuk van Christopher Marlowe Doctor Faustus, de voorloper van Faust van Goethe: ‘O mens vlieg weg!’ En ‘Ga!’.
[Getal 10 – perfectie] Rachel, de vrouw van de oudtestamentische Jakob, bezweert haar dat haar geheim geheim moet blijven: ‘Poëzie gedijt / Niet goed in het gekakel van de dag. Zij vindt haar / Oorzaak in de schemer en de mist’. Zelf noemt de ik ‘de poëzie / De schakel tussen wat een mens vermoedt en wat die mens // In taal vertolken kan.’ Haar komst in de leeszaal ervaart ze als haar werkterrein. Daar bevinden zich ‘de opgeschreven stemmen van weleer’. In deze leeszaal voltrekt zich de geboorte van de ik als dichter! Het lezen van de eerste bladzijde van Genesis benadrukt dat nog eens. Plotseling stapt een donker silhouet de torenkamer binnen en raadt haar aan de Metamorfosen van Ovidius te lezen, ‘want alles verandert steeds’. De waarheid rondom de ik wordt voortdurend door fictie belaagd. Ze wil weten hoe het zit. Een vrouw-in glas-in loodraam spreekt haar dringend aan: ‘Jij bent Evi Aarens!’.
In dit schimmenrijk staart ze in de ogen van de vos Reinaerde. De alwetende ik legt het meisje de inhoud van het dierenepos uit en raadt haar aan nog niet de pen ter hand te nemen, maar eerst ‘doelgericht te onderzoeken en te parelduiken in de overvloed’: ‘De literaire / Canon van de reuzen geeft mij inzicht in wat // Mijn talent vermag.’ Ze krijgt te horen: ‘Jij bent de verse brandstof / Op een tanend en bijkans verloren vuur.’ Elk nieuw lid van ‘het schrijfgezelschap’ verschijnt nu eenmaal als ongeschreven leerling aan de start.
Het meisje wil zichzelf ertoe aanzetten om de substantieelste werken in haar taal te lezen. Op een kasteel met een leeszaal treft ze een poëziecollectie. Ze houdt van oude boeken: ‘Van dichten comt mi cleine bate.’ De openingsregels van Beatrijs. De illustraties gaan ineens voor de ik bewegen. Beatrijs maakt zich los uit het manuscript. De ik en Beatrijs zitten op het bed naast elkaar. Ze bladeren door de meesterwerken van de vaderlandse literatuur, waaronder Roelantslied, Elegast, Beatrijs, Reis van St. Brandaan. ‘Pas als een kunstenaar de vrees opschort / Lukt het hem tot ware kunst te komen.’ Wie gelooft in letterkunde en canonieke taal hecht aan de geschreven taal en de noodzaak veel te lezen. Dus lees de poëzie van al de voorgangers, ‘als brandstof te beschouwen’, om het eigen talent te doen ontvlammen. Kalliope geeft Beatrijs als begeleider aan Evi mee.
[Getal11 – inspiratie] Beatrijs en de ik vervolgen hun tocht door een zevental poorten. ‘Kans op verdwalen en onjuiste zegging is mogelijk’, omdat de ik eerder een zoeker dan een vinder is. Op hun tocht zien ze niets, maar ‘dromen alles waar.’ Sapfo voegt zich bij het duo om ervoor te zorgen dat de ik zich niet overgeeft aan de lusteloosheid. ‘Bekoring is de motor van ons denken, zelfs de brandstof die / De dichtkunst kloppend houdt.’ De dames op de Helikon stellen de grenzen waarbinnen Evi haar talent ‘tot wasdom’ kan brengen. Het kritisch denken staat daarbij hoog in het vaandel.
Ze ervaart dat ze het centrum in de kosmos is en vrij van angst is. ‘Ook het laatste restje / Oordeel’ werpt ze af. Ze kan haar mannelijke collega’s de baas. Als Beatrijs en de ik hun eindbestemming naderen, is Sapfo vertrokken, omdat ze Evi niet meer kon inspireren. Terwijl Beatrijs naar de laatste tuin loopt, verschijnt er ineens een drone boven hun hoofd ‘die zich van tongentaal bedient’. De ik herkent zichzelf in Penelope. Het weven van Penelope geldt voor haar als een narratieve bezigheid. Beatrijs en de ik heten Penelope welkom in hun reisgezelschap, op weg naar de laatste tuin.
Nu verschijnen ineens het houten paard, Troje en Helena, die zich aan de sterfelijke tijd hebben onttrokken. De ik verklaart als vrouw, net als Shakespeare of Goethe, ‘behept [te zijn] met het geluk te worden aangeraakt door / Het verlangen een gedicht te schrijven voor haar tijd.’ Penelope introduceert Beatrijs en de ik bij Helena. Helena en Beatrijs fluisteren over de ik vanwege haar ‘drang een epos’ te willen schrijven met een geurig palet. De ik steekt ook haar licht op bij de alom geëerde Faust van Goethe. Helena vat voor de ik de Faustlegende samen. Even geneert de ik zich over haar ijdelheid. Wat kan een meesterwerk als de Faust haar meer bieden dan een paar druppels intertekstualiteit? Voor Helena is Evi ‘een jonge vrouw / Die door de muze is begiftigd met een gaaf talent.’
De ik waant zich ondertussen in een paradijs als Giverny. Ze imiteert de stoere blik van Helena, de puls en het spel van Penelope en de leergierigheid van Beatrijs. ‘Ons samenzijn is een gebaar, en onze dans / Een soort gedicht. Het is nu aan jou, mijn goede Evi Aarens / Om bij terugkeer uit de tuinen aan het werk te gaan.’ Je dient je pen als een ‘Fileermes te hanteren en een ommekeer teweeg / Te brengen in de letterkunde van je vaderland’. De ik moet met poëzie een taal creëren, een taal die niet alleen de tand des tijds doorstaat, maar ook herinnert aan het samenzijn dat zich op dit moment in deze tuin ontvouwt. ‘Laat de poëzie van het Laagland swingen’. Met deze uitspraken drukt de last van haar talent op haar gemoed. Als novice in de poëzie hoopt ze te ‘reflecteren op de werkelijke dingen van mijn tijd.’ Dit is het wezen van de poëzie: ‘wij streven naar het volle, niet het juiste.’ Achtereenvolgens verdwijnen Helena, Penelope en Beatrijs. De ik komt nu in het huis waar ook anderen wonen. ‘Heb ik werkelijk alles beleefd of lag ik te dromen? Mijn ongehoorde vrijheid staat mij toe het spel met de taal te spelen.’
[Getal 8 – oneindigheid] Walewein en het zwevende schaakbord verschijnen. De ik vraagt Walewein of hij een potje schaken wil: ‘Evi begint!’ De roek is het zwarte vleugeldier dat op gezette tijden uit de boomkruin op de regels van het epos valt. ‘Het is een heldenepos dat ongezongen in de ongerepte / Tuin van haar verlangen woont.’ Evi vraagt zich af of het betamelijk is in haar prille dichterschap de eerste regels op een ongeschreven papier de wereld in te sturen. Alle schaakstukken blijken autonoom te zijn: ‘Niet ik maar zij bepalen hier het wie en hoe en wat. (…) Is dit magie of / Poëzie?’ Het gaat om weloverwogen taal die ‘collectief het spel van intertekst en polyloog aangaat’. De roek vliegt de zaal binnen en krast ‘Ga!’.
‘So it’s you’. De ik weet niet of haar talent toekomst heeft. ‘Poëzie is een kinderspel en daarmee: vorm. Een richting / Zonder doel of een ethiek zonder moraal of waarde / Zonder norm: er is echt alles in de wereld het is alles.’ Twijfel is in deze ‘een hoerenkut’. Ze moet zelf keuzes maken. Ook de muze Kalliope weet niet of ze stand kan houden. Het is een spel op goed geluk. ‘De daden van dit bord // Zijn soeverein.’ Het valt de ik niet mee. Kalliope staat met zwart op verlies. ‘Ik lach // De muze toe en zeg: ‘Schaakmat. Wit wint.’
De ik valt de mensenwereld toe en beseft dat ze uit godenleer gesneden is, ‘dat mijn identiteit / Zich plooit naar wetten die geen mens begrijpen kan.’ De epische verbeelding stelt de mens in staat door linies heen te breken. De kosmos heeft voor Evi meer bedacht dan zijzelf zou kunnen bedenken. Poëzie is magie: ‘Wie heeft Evi zoveel lef bezorgd, uit welke / Genen is dit onberedeneerde zelfvertrouwen / Opgediept?’ Er volgt een eindspel tussen de witte en zwarte stukken. In dit eindspel brengt Evi mogelijk de genadeklap toe aan Kalliope: ‘Uw vuur is uitgedoofd, zeg ik, en ook de faustiaanse dynamiek / die eeuwenlang de letterkunde heeft bepaald blijkt nu // te hebben afgedaan.’
‘Niets ben of heb ik van mijzelf, en toch: / Die zekerheid laat onverlet dat ik keuzevrijheid heb // Mij kranig te verweren en mijn blote voet te planten / In een schoen die ik voortaan de mijne noem. Vraag mij / Niet langer trouw te zweren aan een god, beloften // In te lossen aan een vorst of land, vanaf vandaag volg ik / Alleen de taal en rijg ik verzen voor de laatste lezer die / De letterkunde graag in epische vertolking tot zich neemt.’ De roek vliegt zich stuk tegen het plafond en zegt ‘Ga!’. ‘Ik bloei / Pas op als er een dreiging op mijn pad verschijnt, / Als ik kan stoeien met de angst en / Ik schrik.’ Na alle avonturen en de kennismaking met mens en dier wijst de ik naar Rachel en Beatrijs die haar binnenleidde in deze wereld. Waar komen de woorden vandaan?
’Dit epos wordt gedragen door een tweede stem, / Een schrijver die verklappen mag dat Evi Aarens / Met de ongeremde roekeloosheid die haar siert // De val verkozen heeft die haar, dwars door de tijd. / Laat wonen in een tuin die van gedichten is gemaakt’. De ik is de stropop, de paljas, de schertsfiguur die ‘deze hachelijke clownerie met branie uit zijn schedel heeft geschud.’ De verbeelding is een onvoorwaardelijk mirakel. Evi kiest met haar epische ambitie voor letterkunst, voor rebellie. Het lied is nu ten einde. ‘Kom mee naar buiten om de tuin te zien.’
Aan het eind van dit relaas moet ik mijn bewondering uitspreken voor deze erudiete duivelskunstenaar, voor zijn vormkracht, lenig woord- en beeldgebruik, zijn durf om dit project in lijn met de grote epische werelddichters aan te gaan. Toch heeft de dichter me als enthousiast lezer niet tot auteur van zijn epos kunnen maken. Ik mis al lezend de ervaring van de partipation mystique. Misschien komt dat wel, doordat de dichter expliciet een richting zonder doel of een ethiek, zonder moraal of waarde, zonder norm heeft verkozen. In die zin biedt het epos mij geen visie op de wereld van nu, maar is het vanwege een dichterschap in wording een intelligente passage langs de wereldliteratuur van vroeger tijden.
____
Evi Aarens (2026). Fausta. Querido, 207 blz. € 23,00. ISBN 9789025320904



