‘Ik ben het type X45ErQ99, en daarvan de b variant.‘
door Alja Spaan
‘Mijn naam roept al direct complicaties op. Soms ben ik drie dagen bezig om de medewerker van een callcenter uit te leggen dat Martin mijn voornaam is en Aart de Jong mijn achternaam. Ik ben een groot liefhebber van zuurstof en ik heb een chronisch tijdtekort.’
Locatie: stupa Baudhanath
Hoe ben je bij Meander terechtgekomen? En wat doe je bij Meander?
Voor Meander nam ik een aantal interviews af.
Ik raak voortdurend in allerlei zaken verstrikt. Ik vind nee zeggen vaak lastig. Alja vroeg me en tegen aardige mensen is het nog lastiger nee zeggen dan tegen onaardige, hoewel ik met de laatste categorie steeds beter omga.
Hoe kwam je in aanraking met poëzie?
Dat vind ik zelf een totaal onherleidbare geschiedenis. Ik geloof dat mijn moeder wel wat boekjes met kinderversjes had gekocht en we hadden bijvoorbeeld de kinderbijbel die ik niet direct onder poëzie wil scharen, maar die wel zeer beeldend taalgebruik bevat en een grote diversiteit aan stijlen. Op de middelbare school had ik inspirerende docenten Nederlands die me stimuleerden om te lezen en te schrijven. Ik was gefascineerd door Poetry International, voordrachten van Brodsky, Seamus Heaney, Leo Vroman, Judith Herzberg. Nog zoveel monumentale dichters gonzen na in mijn hoofd. De dikke Komrij was voor mij een grote ontdekkingstocht en ik speurde ook buiten de bloemlezing naar het ultieme gedicht dat alle andere gedichten overbodig zou maken.
Wat vind je leuk aan deze klus?
Dat vraag ik me ook steeds vaker af. Ik vind het boeiend om met dichters in gesprek te gaan. Maar dan in een setting met publiek erbij. Op de een of andere manier voel ik dan een soort plezierige spanning en leer ik steeds beter om om te gaan met momenten van overdenking, stilte en ontroering. Maar voor digitale interviews ben ik minder goed in de wieg gelegd; ik zet er dan ook een punt achter.
Hoe denk je over ons poëtisch klimaat?
Dat is grillig. Bovendien hangt het erg af van lokale omstandigheden, van subsidiepotjes, netwerken en je eigen gemoedstoestand hoe je dat klimaat ervaart. Het weer is makkelijker in kaart te brengen. Bovendien klaag ik graag, maar ik zal het voor de gelegenheid achterwege laten.
Wat betekent in dit verband een Dichter der Nederlanden voor jou?
Niets. Ik vind Babs Gons een prima Dichter der Nederlanden, maar het fenomeen heeft voor mij een blauwdruk in de vorm van Gerrit Komrij die eenvoudigweg niet te evenaren is. Komrij was een instituut, een ambassadeur voor de poëzie, niet voornamelijk een scribent van de actualiteit. Wellicht kan een genetische DNA-manipulatie van Ilja Pfeijffer, Ingmar Heytze, Ellen Deckwitz en nog wat dichters tot het gewenste resultaat leiden.
Wat voor rol speelt Meander?
Om eerlijk te zijn: soms vind ik het belang van Meander niet te onderschatten. Het is enerzijds een schatkamer aan informatie, duidingen en diversiteit. Maar ik raak erdoor overprikkeld. Dat zegt vooral iets over mij, niets over de waarde van het medium.
Wat voor dichter ben jij?
Ik ben het type X45ErQ99, en daarvan de b variant.
Je organiseert ook, kun je daar iets over vertellen?
Ja, dat ik er na een dikke dertig jaar een punt achter zet. Nog een keer werk ik mee aan de poëzienacht (avond) op de Leidse Burcht op 20 juni 2026 en dan is het even mooi geweest. Ik ga meer voor mijn eigen poëzie doen, zo komt er werk van mij in Pratik, een Nepalees literair tijdschrift. Nepal wordt steeds meer mijn tweede thuisland en mede daardoor ga ik mijn activiteiten in Nederland terugschroeven.
–
Weet jij veel hoe je vrede zou moeten kweken. Je bent al blij wanneer je
basilicum boven de grond kunt laten schieten. Een zaadje voor een groenere
zomer voor een smaak uit de grond om op je tong de papillen te prikkelen
om je tong te bewegen tot spreken, om iets te weerleggen dat veel harder
klinkt. We hebben hun leiders vermoord, we hebben hun tanks onder water
hun woestijn met olie in zwavel gedoopt en we zullen ze zwijgend fileren
hun levens flinterdun versnijden totdat ze doorzichtig zijn als hun motieven.
–
De ander is kwader dan jij, het kwaad in jezelf zoekt altijd naar beter,
verbeten, verwoed en gelaten alsof het leven alleen maar vanuit je eigen
ogen zichtbaar is. Je werpt je zinnen in een sloot in de polder. Kwakend
de lente tegemoet. Het riet wuift de wind gedag, de wind steunt je ruggelings
om verder te komen maar je wilt geen kant meer op. Je wilt een berm
om plat te gaan liggen en in de verte te turen hoe kwikstaarten hun weg zien
–
te vinden zonder zich druk te maken over een grens die met zwaarden
getrokken. Er moet een plek zijn om een nest te bouwen. Om uit de berm
losse stengels te pikken om op jacht naar insecten te gaan en om niets meer
te winnen dan dat waar je meer dan genoeg aan hebt om een bombardement
uit te voeren op opengesperde kelen die op een dag zullen zingen
dat aan alles genoeg is dat alles er is en er niets valt te winnen.
–
Zou je op je lauweren rusten? Of een stal uitmesten op zoek naar jezelf,
of verloren langs de kustlijn een horizon met je meetorsen met je oor aan
een schelp gekluisterd en hoestend tegen de wind naar regels tasten
om te bewaren in schoonschrift? Ben je je naam kwijt, je ziel verloren
of gewoon verloren gegaan in een massa Chinezen al was je blonde haar
zo zichtbaar als de Muur vanaf de maan en klopte je hart tegen de liefste
stethoscopen ter bevestiging van je bestaan. Ik heb je oogst nu pas gevonden.
Echt gevonden als een kist op de zolder van mijn grootouders.
Nu pas weet ik dat je moet lezen en eten tot je geen honger meer over hebt
om te verlangen naar leegte. Ik zie geschiedenissen zich herhalen
in telkens wisselende vormen. Maar uiteindelijk komt het hier op neer.
Dit is de aarde. We zijn en zullen op een dag de aarde weer worden.
Hoe hard we ons ook bevestigen op marmer en steen. Maar ik vroeg me af
waar je was. Meegenomen door de wind en opgetild met het stof en de najaar
bladeren. Opgelost in hummus en dauw. Gekoesterd door pissebedden en vlinders.
Opgeteerd door de wormen en onherkenbaar verworden tot wie je ooit was.
Overal zoemt je naam rond met muggen en bijen. Je verzamelt nectar.
Veroorzaakt jeukende bulten. Maar je blijft tastbaar aanwezig
en ik vraag je: heb je wat woorden over voor een dorstige bedelaar
die blikjes verzamelt om te gaan winkelen in een niet bestaande straat
die naar jou genoemd is. Schrijf nog een keer een gedicht wil je?
Het hoeft niet eens zwart op wit. Het mag in de lonkende
kleuren van een handgeknoopt tapijt uitgehangen in de Bazar Istanbul
om twee continenten met elkaar te verenigen. Weet dat je welkom
bent om het even wat je te zeggen hebt. Ik heb nootjes gehaald
die een eekhoorn voor me verzamelde. Ik heb bier gekocht
van de kleinste brouwerij van de dorstige levenden.
Laten we proosten op de oceaan en het diepzee wezen.
Laten we wier plakken op etalages en zout uitdelen
om dorst te verspreiden over de gegroefde lippen
van podcastcreators en gereformeerde nieuwslezers.
De tijd heeft balsem nodig om nog een keer te zingen
en klankbord je stem om een echo te dimmen.
–
Stel dat je alle woorden die je gisteren nog had
vandaag in een keer loslaat en na zwaait.
Je laat ze op in een luchtballon vol lachgas
dan hoor je vanzelf wel waar ze neerkomen
en als je tijd hebt – tijd kun je heel goed bewaren
in een temporaal gesloten emmer die je onder de trap
voor het grijpen hebt staan, maar dat wist je vast wel –
kun je bezien of je er erg aan hecht.
Misschien is het wel prettig om de wereld
gewoon te zien. Te kijken zonder commentaar.
Hooguit wat cijfers uit te delen.
En anders, als het echt nodig is
kun je vast nog wel een taal kopen
in een land waar woorden zo goedkoop zijn
dat je ze onbeperkt gebruiken mag
bij afsluiting van een abonnement.
Maar eerst nu. Laten we dit afspreken:
We zeggen voorlopig niets meer.
Tot we een nieuwe taal hebben.
Met glimmende woorden en zachte uitroeptekens.
Dan spreken we elkaar gewoon opnieuw.
–




