LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

De waarheid van de dichter

26 mei 2026

door Romain John van de Maele

 

Johann Wolfgang (von) Goethe © Wikipedia

In zijn autobiografie Aus meinem Leben. Dichtung und Wahrheit (1811-1833) heeft Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) naar eigen zeggen alleen de feiten verzameld die hem in staat stelden een hogere waarheid te bevestigen. Feiten werden door de verbeelding in een coherent ontwikkelingsschema geïntegreerd, waardoor feitelijkheid en verbeelding samen de grondslag vormden van zijn waarheid, die bovendien uitmondde in een hogere waarheid, de zin van het leven. Het begrip waarheid werd door Goethe niet gelijkgesteld met juistheid of een andere positivistische – empirisch verifieerbare – bepaling. Wat waar was, werd niet bepaald door een rekenkundige proef op de som. Waar betekende dat hij zijn leven en de feiten zonder krampachtige herschikking had beleefd en verstaan zoals hij die heeft beschreven. Een kleine eeuw later hield Willem Kloos (1859-1938) er een andere opvatting over waarheid op na.

Willem Kloos © Wikipedia

Volgens Kloos was ware kunst op zichzelf gericht, kunst om de kunst. Wie met kunst bij de lezer ideeën wilde opwekken, moest een enigszins ‘vals’ beeld van het leven geven (zie Anneke Reitsema, Het woord te vondeling, 2002, 46). Hij ging uit van een verschil tussen werkelijkheid en verbeelding, waarbij een ‘verwrongen’ werkelijkheid door de verbeelding op een niet-literair – ethisch – effect was afgestemd. Maar een gedicht is altijd Dichtung und Wahrheit, zoals in de autobiografie van Goethe. Goethes gebruik van und koppelt de twee begrippen op een fundamentele manier aan elkaar. Goethes titel was min of meer tautologisch.  De ik-schrijver of –schrijfster verwoordt in subjectieve beelden, die, als ze echt doorleefde gevoelens of inzichten uitdrukken, waar zijn. René Descartes (1596-1650) heeft er in Meditaties over de eerste filosofie (Méditations métaphysiques, 1641) op gewezen dat datgene wat hij zeer duidelijk en zeer onderscheiden ‘clair et distinct’ inzag, waar moest zijn. Voor dichters gelden geen andere wetten. Het nastreven van een maatschappelijk of ideologisch effect bij de lezer berust niet op een vervalsing maar op een kunstgreep, die ook wordt toegepast om een esthetisch effect te bereiken.

Kloos zag over het hoofd dat het schrijven van een sonnet omwille van het sonnet ook een ‘verwrongen’ werkelijkheid weergeeft: niemand spreekt in het dagelijks leven in versregels en maakt al helemaal geen gebruik van kwatrijnen en een octaaf. En toch roept dat sonnet geen vals beeld op, precies omdat poëzielezers door de vormgeving hun esthetisch verlangen kunnen stillen. Voor wie zelden of nooit gedichten leest, is een sonnet meestal een vreemde bedoening. Bovendien is elke zelfrepresentatie een combinatie van feiten en verbeelding, die samen de waarheid van het zelfbeeld vormen. Het is het vertellende (dichtende) subject dat zelf verbanden legt tussen de lange reeks chronologische feiten die zijn/haar leven kenmerken, en die ‘ontdekte’ relaties en oorzaken kent het subject dankzij zijn/haar verbeelding. In eerste instantie kent alleen het subject die samenhang die voortvloeit uit een attributieve (toeschrijvende) houding. Om die samenhang voor de lezer te ontsluieren kan een dichter gebruik maken van metaforen, symbolen en andere kunstgrepen – een verwrongen feitelijkheid als het ware, maar geen vervalsing. Bovendien is het leven van een dichter zoals dat van alle andere mensen slechts gedeeltelijk een objectief verhaal. Om aan dat objectieve leven zin te geven, is het nodig subjectieve accenten te herkennen en te onderstrepen.

Jacqueline E. van der Waals © Wikipedia

Precies dat komt tot uiting in het gedicht Ik kan niet anders… van Jacqueline van der Waals (1868-1922) waarvan de eerste twee versregels als volgt luiden: ‘Ik kan niet anders dan mijzelf belijden, / Wanneer ik spreek, spreek ik mijzelve uit.’ De laatste versregels bevestigen de eerste twee regels: ‘Ik kan niet anders dan mijzelf verkonden, / Ik vind mijzelve steeds en overal.’ Dat is geen vorm van hybris en evenmin een vervalsingproces. Dat de dichteres zichzelf altijd en overal vond, is voor wie niet dichterlijk denkt wellicht een overdrijving, zelfs een ‘verwringing’ van een christelijk dogma, maar niet ondenkbaar voor wie zelf nu en dan de natuur intrekt en zichzelf in het zwijgende veld of bos herkent. Hoewel de dichteres in een persoonlijke, transcendente God buiten de wereld geloofde, was enige vorm van pantheïsme – zoals bij Guido Gezelle – haar niet vreemd. Van der Waals was vertrouwd met de geschriften van Søren Kierkegaard (1813-1845), die in Stadier på livets vej (1845) schreef dat de mens zichzelf moet kiezen om iets te kunnen zijn. En dat onbepaald iets wordt bepaald door het leven en de zin die eraan wordt gegeven, en die laatste is voor de buitenwereld – en voor een dichter – niet direct kenbaar. Fundamentele vragen worden altijd opnieuw gesteld en zo bereikt een schrijver stap na stap zijn waarheid. Immers, zoals Kierkegaard schreef, ‘Livet forstås baglæns, men må leves forlæns’, of ‘Het leven wordt voorwaarts geleefd, maar achterwaarts begrepen.’ Er is geen vooraf (a priori) gegeven zin en er bestaat geen waarheid die voor iedereen en altijd vastligt, beide worden woordelijk ontdekt en dwingen een dichter om zich uit te spreken. Zo vormt zijn/haar a posteriori beleefde waarheid het fundament van de verdere zoektocht naar een onvindbare universele waarheid.

 

     Andere berichten

Vive la rose

door Hans Franse   In de kringloopwinkel ‘op Scheveningen’ vond ik een tweetal cd’s van Guy Béart, een Frans chansonnier, eind jaren...

Mens en gevoelens (2)

door Ko van Geemert     Lange tijd schreef ik met veel plezier in Mens en gevoelens, het tijdschrift van Paul Haenen en Dammie...

Overal langs de wachttoren

door Rogier de Jong   Het zal begin jaren negentig zijn geweest dat ik met mijn toenmalige vriendin een reis maakte naar Tsjechië....