Jan Marten de Vries (1958) is opgeleid als pianist, kerkmusicus en componist. Daarnaast is hij tekstschrijver. Hij beschouwt taal als klank, dus ook als muziek.
Van jongs af aan schrijft hij muziek en gedichten. Vrijwel al zijn motetten voor koor zijn bijvoorbeeld op eigen tekst. Van zijn meer dan vijfhonderd liederen zijn zowel de tekst als de muziek van zijn hand. Een honderdtal van die liederen zijn uitgegeven in verschillende (landelijke) kerkelijke of zingevingsbundels.
Voor radio en televisie schreef hij de afgelopen twintig jaar geregeld muziek en tekstmateriaal. Waar hij vooral bekend is als kerkelijke dichter, schrijft hij ook totaal andere poëzie: in 2004 waren zijn teksten Durrek uit Urrek en De nieuwe bril van ome Koos prijswinnend in resp. de wedstrijd voor de beste smartlap op het Amsterdams Kleinkunstfestival en de Parool-prijs voor het humoristische lied. Ook schreef hij in opdracht een lied in de stijl van Willem Bilderdijk.
In 2005 verscheen in het blad Mens en Melodie een drieluik over drie Nederlandse componisten die ook dichter waren: Rosalie Hirs, Micha Hamel en Jan Marten de Vries.
Gedurende vijftien jaar was De Vries eindredacteur van het liturgievakblad Laetare (v.h. Eredienstvaardig). In die periode publiceerde hij zo’n 100 artikelen, voornamelijk over kerkmuziek en liturgie.
Hoewel hij heel veel materiaal los als tekst heeft geschreven, heeft hij nooit als dichter buiten de muziek om gepubliceerd.
Sinds 2023 schrijft hij sonnetten. Deze vorm biedt volgens hem ‘juist door de strenge vorm daarbinnen oneindig veel mogelijkheden om emotie uit te drukken.’
Als pianist speelt hij zijn eigen (lied)voorstellingen en zijn passiestuk Kreuzweg, nu voornamelijk in Duitsland.
foto © Auke de Vries
–
‘t Was op een hoge heuvel, dat zij zei:
‘Ik houd zo van ‘t geluid van berkenbomen,
aan hun geritsel is niet te ontkomen,
ik ga er nooit een ongemerkt voorbij.’
–
En ik, ik ken de berk al lang: als kind
gebruikte ik de afgescheurde vellen
voor letters en voor cijfers, om te tellen,
al lukte het niet altijd met de inkt.
–
En inderdaad: ik hoorde ‘t hoge ruisen
zoals het werd gedreven door de wind,
een duidelijk waarneembaar zilver suizen.
–
Hoe kan het, dat ik, ondanks goede oren,
de boom die ik herkennen kon als kind
altijd wel zag, maar nooit heb willen horen?
–
Er was zo’n zestig jaar voorbijgegaan,
Zij woonde ook in mijn herinneringen,
gevat in geuren en in kleine dingen:
gedachten aan ’t begin van mijn bestaan.
–
De buurvrouw was ’t: zij schonk mij koffie in
– de laatste keer was ’t aanmaaklimonade
of was het misschien warme chocolade? –
en vroeg aandachtig hoe het mij verging.
–
Maar ik, ik keek vooral en vaak naar buiten
– dit was het laatste huis in oude staat
met van die fraai vertekenende ruiten –
–
en ik was weer die peinzend kleine jongen
die achter ’t raam stond, kijkend naar de straat:
ik had mij van de woorden losgezongen.

