Gesprek met zichzelf in de spiegel
door Anneruth Wibaut
–

–
Joris Iven (Diepenbeek, 1954) heeft een lange en grote staat van dienst als dichter, toneelschrijver, poëzievertaler, recensent en schrijver van kritische beschouwingen. Hij publiceerde in vrijwel alle toonaangevende tijdschriften. Quasi autobiografisch is zijn elfde dichtbundel, onderverdeeld in zes afdelingen, die om en om beginnen met een bewerking van een bekende songtekst. De meerwaarde daarvan ontgaat mij, de teksten winnen naar mijn smaak weinig met wat Iven ermee doet. En dat terwijl hij zich verder overwegend een vaardig dichter betoont, die weet te verrassen, verbazen of minstens een weemoedig gevoel van herkenning oproept.
In een korte introductie zet de dichter van alles op losse schroeven, zo mogen we de naam Quasi autobiografisch met een korrel zout nemen, soms lezen als autobiografisch, terwijl het in andere gedichten duidelijk over iemand anders dan de dichter gaat. Over een ding echter is hij heel stellig: ‘zijn gedichten vragen erom te worden gelezen’. Die stelling wil ik op losse schroeven zetten, niet alle tweeëntachtig gedichten waren zo urgent dat ze erom vroegen gelezen te worden. Ik deed het, dat is mijn taak, maar dat kostte moeite. Want ook als alle gedichten urgent en prachtig zouden zijn, zet ik persoonlijk mijn vraagtekens bij zo’n overvloed aan gedichten. Ik zie al gauw door de bomen het bos niet meer, dat gebeurt me ook als ik het verzameld werk van een dichter lees. Maar dat geldt misschien niet voor alle lezers. Uiteindelijk stuitte ik in Quasi autobiografisch gelukkig overwegend op gedichten die ik graag wilde (her-)lezen.
De gedichten waarin weinig gebeurde of die erg particulier bleven, wisten mijn aandacht niet vast te houden. Ik ben me ervan bewust dat veel poëzieliefhebbers houden van poëzie waarin een observatie uit de natuur, de leefomgeving, of het leven wordt weergegeven. Als een foto of een schilderij in woorden, maar ik behoor niet tot die categorie lezers. Voor mij moet er ergens een doorkijkje inzitten naar meer dan alleen de waarneming, ik verlang naar een twist, of minstens een zin die het geheel een wat universeler aanzien geeft. Pas als Iven aan zijn waarnemingen of herinneringen een wending geeft die niet voor de hand ligt, kan ik er erg van genieten. Zoals in onderstaande:
–
Ik weet niet meer waar we waren,
maar ik herinner me nog dat beeld,
–
de kleine inham, het zand, en
verder, aan weerszijden de met mos
–
begroeide rotsen, en jij loopt van me
weg in de richting van de zee, die je
–
opneemt, meeneemt naar haar einder
en ik zie je armen slaan in het water,
–
zoals ooit nog in bed, ik zie hoe je
ondergaat en weer bovenkomt. Er
–
komt geen einde aan dit verdwijnen,
waarin je me helemaal meeneemt.
–
[pag. 68]
Dit lijkt op het eerste gezicht een puur persoonlijke anekdote, die echter een wending neemt waardoor de lezer bij de gebeurtenis betrokken raakt. De situatie begint zonnig, als een vakantiedag. Maar dan wordt de jij meegenomen door de zee en de laatste strofe suggereert dat het niet goed afloopt, dat zij/hij verdrinkt. Tegelijkertijd kan het verdwijnen dat geen einde neemt ook gaan over de herinnerde ervaring van de jij in bed, een strofe eerder. De lezer mag kiezen en daarmee is het gedicht meteen niet meer particulier. Hierop had de dichter strenger mogen selecteren. Nu moeten we ons een paar keer door stukjes rijstebrij heen eten alvorens weer het Luilekkerland van de aansprekende poëzie te mogen betreden.
Ik geef een voorbeeld van zo’n rijstebrijgedicht:
–
Projecten worden opgezet
en in flarden achter ons gelaten.
Elementen groeien uit tot een geheel,
ledematen tot een lichaam.
Raak me alsjeblieft niet aan.
–
Waar is de tijd dat we rookten,
rode wijn dronken en de hele wereld
ons toebehoorde? Op feesten
–
liepen we gewoon naar binnen.
Niemand was geïnteresseerd in sieraden.
We hadden geen zeilboot in Saint-Tropez
en toch lachten we de hele dag.
Om kleinigheden, natuurlijk,
waar we ons nu om schamen.
–
[pag. 82]
Het is geen slecht gedicht, daarvoor is Iven een te taalvaardig dichter. De eerste strofe heeft de glans van grote verwachtingen van jeugdige overmoed en belooft meer dan we krijgen in het vervolg. De zin ‘Raak me alsjeblieft niet aan’ is intrigerend, lijkt te verwijzen naar het ‘Noli me tangere’ van Jezus tot Maria Magdalena in Johannes 20;17. Het lijkt me een wat ijdele manier om aan te geven dat de ‘we’ van het gedicht zich vroeger jonge goden waanden. Maar het vervolg roept zo flets die verloren tijd op, die ook niet echt wil gaan sprankelen. Alsof alleen wie wèl een boot in Saint-Tropez heeft liggen reden heeft om de hele dag te lachen. Na die eerste strofe dooft het gedicht eigenlijk uit in een in zichzelf gemompeld terugverlangen naar vroeger. Vorm en inhoud vallen daarmee weliswaar samen, het vuur van de jeugd tegenover de uitgebluste ouderdom, maar dat vuur lees ik niet in de terugblik van de laatste strofe van feesten, lachen en lak hebben aan materiële rijkdom, terwijl in de eerste strofe de jonge goden makers zijn die grote projecten op touw zetten.
Dat in zichzelf praten past dan weer wel mooi bij het thema van de eerste afdeling, die als motto meekreeg: ‘een lied ter herinnering aan een groot verlies’. Na de bewerking van de songtekst ‘Closing Time’ van Leonard Cohen, volgt een vierluik met de titel ‘Lockdown, april 2020’. De eerst strofe zet de toon: ‘Elke middag voer ik eindeloze gesprekken / met mijn spiegelbeeld. Iemand die hier / niet thuishoort, zegt dat de lucht vol / bacteriën zit. Wat moet ik daarmee?’ Dit is onverbloemd een gesprek met het eigen ik, maar anders dan bij de wat mij betreft minder geslaagde staaltjes ervan elders in de bundel, voel ik me hier als lezer niet buitengesloten. Ik citeer tot slot het vierde gedicht uit dit vierluik, waarin het zelfgesprek geleidelijk overgaat in praten met een afwezige ander, waarmee de ik zich nog steeds diep verbonden voelt. Ik vind hierin schoonheid en ontroering:
IV
–
Ik leef in deze kamer in mijn herenhuis
in Jugendstil, als in een droom
en ik zal ontwaken uit die droom
–
in mijn moedertaal, alsof ik me er
altijd thuis heb gevoeld,
verbonden met haar
door een doek dat aan de muur hangt
–
en soms wappert en voor trillingen zorgt
die voelbaar worden
in dit gedicht dat door mij wordt afgetast
en vormgegeven, alsof
het nooit eerder heeft bestaan.
–
[pag. 15]
Mooi hoe de herinnering aan haar zich verweeft met de moedertaal en het gedicht en hoe dat ook de tijd en de ruimte wegpoetst, zoals de dood dat immers ook doet. Ook elders in de bundel dicht Iven geregeld over het proces van het dichten, waarbij hij mooie beelden oproept: ‘Het is nauwelijks hoorbaar, / maar het trilt ondraaglijk / en zeer langdurig in beide oren’ [laatste strofe pag. 28]. En de zin ‘Onzichtbare inkt wist alle woorden’ als laatste regel van het gedicht op pag. 30, die, onder meer, een haast ondraaglijke relativering van het dichterschap oproept.
____
Joris Iven (2026) Quasi autobiografisch. Uitgeverij P, 96 blz. € 20,00. ISBN 978946475799



