LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Kwetsen in de poëzie

24 mei 2026

door Willem Tjebbe Oostenbrink

 

 

Een zoektocht door de wereld van de poëzie bracht me bij de criteria en regels van poëziewedstrijden. Eén van de criteria die je in wedstrijdreglementen terugziet, is dat de tekst niet kwetsend of discriminerend mag zijn. In deze column ga ik ervan uit dat met de twee formuleringen ‘kwetsend’ en ‘als kwetsend ervaren’ hetzelfde wordt bedoeld (ook al kun je verschillende definities ontwikkelen).
De gedichtenwedstrijd die door Meander wordt uitgeschreven kent het criterium ook. Op het eerste gezicht lijkt dit een sympathiek en lief bedoeld criterium. Bij nader inzien vraag ik me af welk doel hiermee gediend is. Deze column wil een aantal overwegingen naar voren brengen om bij wedstrijden af te zien van zo’n criterium. Ter afsluiting wil ik een ander criterium voorstellen.

Vroeger werd een beroep gedaan op de goede smaak, fatsoen en goede zeden. Ordinair taalgebruik zoals scheldwoorden en vloeken werden vermeden en voor onderwerpen die te maken hadden met seks, dood en God moesten de woorden worden gewogen en niet aanstootgevend zijn. Mensen werden geacht zich over geslachtsgemeenschap, ontlasting, en het religieuze leven gepast uit te laten. Sinds de jaren zestig waarin Gerard Reve opzien baarde met zijn ezel-uitspraken, zijn er veel heilige huisjes als ruïne achtergelaten. Veel mensen hebben dit als ruimtescheppend ervaren; weinigen schonken aandacht aan degene die zich stootten aan een brok puin of een leegte ervoeren. Wat maakt nu dat onze samenleving geen kwetsende gedichten meer zou kunnen verdragen? Ik wil drie redenen geven waarom kwetsend niet als criterium gehanteerd zou moeten worden.

Het gebruik van het criterium ‘niet-kwetsend’ kan alleen maar leiden tot meer gedichten die minder kunnen zeggen. Krijgt poëzie hierdoor niet een beperking opgelegd waarmee meer zaken onbenoembaar en onzegbaar blijven? En dat terwijl poëzie juist onbenoembare dingen naar boven en naar voren wil halen. Poëzie hoort ruimtescheppend te zijn. Beperkingen aan poëzie opleggen gaat in tegen alles waar poëzie voor kan staan.

Een tweede reden is, dat poëzie niet als machtsmiddel behoort te worden ingezet, maar als communicatiemiddel. Lewis Carroll voert in de verhalen van Alice in Wonderland Humpty Dumpty, een eivormig mannetje op. Humpty Dumpty zegt tegen Alice, ‘Als ik een woord gebruik, betekent het precies, wat ik kies dat het moet betekenen – niet meer en niet minder’. Als Alice hem vraagt of woorden wel zo veel verschillende dingen kunnen betekenen, antwoordt hij: ‘De vraag is, wie is er meester – dat is alles’. Hij ziet taal als een instrument van overheersing in plaats van communicatie.
Gedichten hebben mijns inziens niet het doel om macht uit te oefenen, maar om verbinding te zoeken. In dat zoeken naar verbinding lijkt het niet gepast om vooraf iemand een machtspositie te geven, waardoor diegene het voor het zeggen heeft. Consequent doorgevoerd zal het criterium leiden tot een rechtbank en politie voor kwetsende poëzie, die ten onder zal gaan aan haar eigen, onmogelijke opdracht.

Ten slotte, als derde reden: woorden en hun betekenis liggen niet vast. Waarmee de onmogelijkheid van de opdracht voor handhaver duidelijk wordt. Veel woorden en symbolen met oorspronkelijk een negatieve lading maken geregeld een ontwikkeling door en zijn (soms) doelbewust ingezet als middel van verzet en protest waarbij een positieve betekenis van het begrip onder de aandacht wordt gebracht. Zo werd de roze driehoek oorspronkelijk gehanteerd in Duitse concentratiekampen als herkenningsteken van homoseksuelen. In de jaren zeventig werd de roze driehoek gebruikt als geuzenteken voor de homobeweging.
Floris de Vijfde kreeg van edelen de schimpnaam ‘Der Keerlen God’. De uitdrukking werd een geuzennaam. Hij was geliefd bij de boeren en het gewone volk, omdat hij hen meer rechten gaf; mogelijk vanwege zijn streven om de lagere adel dwars te zitten.
Het woord geuzen is afkomstig uit de tijd van de tachtigjarige oorlog. Geuzen zelf is een geuzennaam. De term stamt uit de Tachtigjarige Oorlog, toen Nederlandse opstandelingen de smadelijke benaming gueux (Frans voor schooiers) accepteerden en omvormden tot Geuzen.
De zwarte gemeenschap in de jaren zestig van de vorige eeuw, waaruit Black Power ontstond, gebruikte op een gegeven moment de woorden nigger en blacks als geuzennaam. Dit zijn voorbeelden van woorden met een negatieve klank die bewust anders worden ingezet.
Andersom gebeurt het ook dat neutrale namen een duidelijke lading krijgen. In het dagblad Trouw werd enige jaren terug gesproken van Blokkeer-Friezen als aanduiding van een groep mensen die demonstraties tegen Zwarte Piet probeerde te verhinderen. De aanduiding was bondig en vatte een lange zin mooi samen, dachten de bedenkers. Door betrokkenen werd de benaming als negatief ervaren.

In communistische landen is men gewend dat de overheid besluit welke termen gebruikt worden en wat ze betekenen. Winkels in Oostbloklanden waarvoor in de jaren tachtig lange rijen mensen stonden te wachten om boodschappen te kopen, waren vol met levensmiddelen. Je zag het niet direct, maar er was ruim genoeg voor iedereen. Zo’n situatie leidt tot parallelle werelden waar woorden meer betekenen dan men ooit zal bekennen.
Sinds de oorlog in Oekraïne mag in Rusland geen kritiek geleverd worden op deze zogenaamde operatie. Op het Rode Plein kun je met een onbeschreven A-4 vel in de hand worden opgepakt. Zoveel kunnen zelfs niet gesproken woorden teweegbrengen!

Natuurlijk kan poëzie een rol spelen in het bereiken van mensen, ook met een boodschap.
Het is mooi om te zien of en hoe je poëzie kunt inzetten voor veranderingen in de samenleving. Maar in een vrije, open samenleving behoort niemand het monopoly te hebben op betekenis en taal. Poëzie is een communicatiemiddel. Niet vanuit een machtspositie, daar zouden dichters zich altijd tegen moeten verzetten.

Als je een ander criterium zou willen opvoeren, denk ik bijvoorbeeld aan inclusiviteit. Poëzie zou geen onderscheid moeten maken tussen kwetsend en niet-kwetsend. Dan dichten we emoties een te grote rol toe. Emoties zijn een wezenlijk onderdeel van ons leven. Als afgeleide kan natuurlijk bij een tekst wel iets spelen, maar gekwetsheid behoort geen vertrekpunt te zijn. Inclusiviteit kan verbinding leggen: poëzie is voor iedereen en mag van iedereen zijn.

 

 

afbeelding Pixabay

     Andere berichten

Mens en gevoelens (2)

door Ko van Geemert     Lange tijd schreef ik met veel plezier in Mens en gevoelens, het tijdschrift van Paul Haenen en Dammie...

Overal langs de wachttoren

door Rogier de Jong   Het zal begin jaren negentig zijn geweest dat ik met mijn toenmalige vriendin een reis maakte naar Tsjechië....