door Rogier de Jong
Het zal begin jaren negentig zijn geweest dat ik met mijn toenmalige vriendin een reis maakte naar Tsjechië. Václav Havel was president, na een fluwelen revolutie die Tsjechië en Slowakije weliswaar bevrijdde van de communistische dictatuur, maar beide landen niet bij elkaar had kunnen houden.
Ik was een groot fan van Havel; ik bewonderde hem als mens, als politicus en als schrijver. Zijn Brieven aan Olga zat als een mascotte in mijn bagage.
Van Havels persoonlijkheid was in de stad Praag weinig te merken. Ik zag veel politie, mogelijk vanwege het feit dat Václav Klaus campagne voerde om zelf president te worden. Een lijfwacht liep me bijna omver omdat mijn terrasstoel blijkbaar te ver op straat stond en op de Karelsbrug patrouilleerden agenten. De straatzanger die halverwege de brug een groepje toeristen vermaakte reageerde als gestoken op de naderende uniformen. Hij stopte abrupt met zingen, keek even zoekend rond en duwde toen zijn gitaar in mijn handen. Waarna hij zich uit de voeten maakte. Voor ik het wist stond ik tegen de reling van de Karelsbrug het eerste lied dat mij te binnen schoot te zingen: ‘All Along the Watchtower’ van Bob Dylan (terwijl het niet eens mijn favoriete Dylansong was, dat was – en is – ‘Tangled Up In Blue’).
‘There must be some way out of here,’ said the joker to the thief
‘There’s too much confusion, I can’t get no relief
Businessmen, they drink my wine, plowmen dig my earth
None of them along the line know what any of it is worth.’
‘No reason to get excited,’ the thief, he kindly spoke
‘There are many here among us who feel that life is but a joke
But you and I, we’ve been through that, and this is not our fate
So let us not talk falsely now, the hour is getting late’
All along the watchtower, princes kept the view
While all the women came and went, barefoot servants, too
Outside in the distance a wildcat did growl
Two riders were approaching, the wind began to howl
Het zou bij dat ene lied blijven. De agenten (of ordetroepen) liepen langs ons zonder ons een blik waardig te keuren en de straatzanger dook weer op en gaf me vijfentwintig kronen uit zijn gitaarkoffer.
Tot zover deze anekdote. Ik ken als boomer uiteraard de eigen vertolking van Dylan op de lp John Wesley Harding en ook de beroemde uitvoering van Jimi Hendrix. Er zijn nog veel meer bands en zangers die het nummer hebben gecoverd, maar daar is me weinig van bijgebleven.
‘All Along the Watchtower’ is ondanks de drie akkoorden waaruit het is opgebouwd een niet meteen toegankelijk lied. Er figureren een nar in, een dief, een aantal prinsen en aan het slot een wilde kat en twee ruiters. Het decor is een wachttoren. Om enigszins grip te krijgen op de inhoud leek het me goed de tekst te vertalen. Dat was niet zo eenvoudig. Alleen de titel al: ‘All along the watchtower’. Dat betekent zoveel als ‘overal langs de wachttoren’, wat iets anders is dan ‘op de wachttoren’ – ‘(up)on the watchtower’ – zoals je zou verwachten. Maar dat past niet in het metrum van de vierkwartsmaat. En ook het behouden van het a-b-c-b-rijm bleek een uitdaging.
Verder was het me niet meteen helder of de nar en de dief zich op of langs de wachttoren ophielden of ergens anders. Waarover straks meer.
Wel duidelijk is dat de nar en de dief een dialoog voeren. Twee personages dus. Een van hen is in couplet 1 aan het woord: de nar. Hij spreekt over ontreddering die hem te veel wordt en hij wil weg:
Is er hier geen nooduitgang?
zo vroeg de hofnar aan de dief.
Er is te veel verwarring.
Meer dan mij lief is.
In couplet 2 wordt duidelijk wat de bron, de oorzaak is van zijn ontreddering. Zijn ‘wijn’ en ‘grond’ worden geëxploiteerd door zakenlui die niet geïnteresseerd zijn in de waarde ervan. Ze drinken zijn wijn (plukken de vruchten van zijn artistieke werk) en bewerken zijn grond. Waarbij die grond, mag je aannemen, niet met rust wordt gelaten om (nieuw) gewas voort te brengen, maar uitgeput:
Zakenlui drinken mijn wijn
en woelen om in mijn aarde.
Niemand is geïnteresseerd
in de inhoud ervan, in de waarde.
Maar de dief, zijn tegenspeler, vindt dat de nar doordraaft en dat ze het hoofd koel moeten houden. Het leven is immers een grap, een fabel. Hij laat daarbij in het midden dat uitgerekend de nar dat als beroepsgrappenmaker toch zou moeten weten:
Wind je niet op
zo zei de dief aimabel.
Voor velen van ons is het leven
een grap, een fabel.
Wat volgt is een reminder door de dief aan het adres van de nar. Blijkbaar is deze kwestie eerder door beiden besproken, maar begint de nar er desondanks opnieuw over. Verspilde tijd! De dief wil de nar daaraan herinneren. Bijzonder hier is dat de dief in zijn vermaning dichter naar de nar lijkt toe te kruipen, alsof hij met hem wil versmelten, diens alter ego is – waarmee de dialoog opeens een interne dialoog wordt, oftewel zelfcommunicatie. Het doet me denken aan de tweestrijd die elke beroemde kunstenaar schijnt te kwellen: de frictie tussen kunstenaarschap en commercie. Platen- en andere bazen zijn niet wezenlijk geïnteresseerd in de kunstzinnigheid van het werk van hun artiesten. De kunstenaar is een melkkoe geworden – die er ook zelf goed aan verdient – en dat moet vooral zo blijven.
Maar jij en ik hebben dat gehad;
dit is niet onze strijd.
Laten we dus bij de les blijven.
We hebben niet eeuwig de tijd.
En dan verplaatst het toneel zich naar buiten. Opeens bevinden de nar en de dief zich niet op de wachttoren, maar erbuiten. De nar wilde weg. Heeft hij zijn zin gekregen en zijn ze gevlucht, of weggestuurd, outcasts geworden, verstoten? En stonden ze überhaupt wel op de wachttoren? Dat valt te betwijfelen, want de wachttoren blijkt het domein van ‘prinsen’, hoeders van het vermaledijde kapitalistisch systeem dat kunst exploiteert voor eigen gewin en en passant ook vrouwen begluurt én onderbetaalde arbeidskrachten die te arm zijn om schoenen te kopen:
Overal langs de wachttoren
konden prinsen alles goed zien.
Vrouwen die kwamen en gingen
en ook ongeschoeide bedienden.
Het laatste couplet van het lied is tevens het meest mysterieuze. Het perspectief verschuift van de wachttoren naar de omgeving naar een apocalyptisch einde, met een wilde kat, twee naderende ruiters en een gierend opstekende wind. Wat zegt dat allemaal? Wie zijn die twee ruiters? Hun aantal correspondeert met dat van de twee hoofdpersonages, zodat je mag aannemen dat de ruiters en de nar en de dief dezelfden zijn: de volgende samensmelting van personages. Wat houdt hun komst in? Wraak? Revolutie? Heeft de uitgebuite kunstenaar (de nar) het dan toch gewonnen van de grootverdiener (de dief)?
Ergens in de verte
krijste een wilde kat.
Twee ruiters waren in aantocht
en de wind die jammerend opstak.
Ik geef toe: dit is allemaal nattevingerwerk, en op internet zijn talloze (andere) interpretaties te vinden. Maar in een column mag ik mijn geest de vrije loop laten, en ik vond het leuk om zelf eens in dit beroemde lied te duiken, met zijn drie akkoorden, de symbolen ‘wijn’ en ‘aarde’ en ten slotte het apocalyptische einde. Dylan voert wel vaker Bijbelse motieven op in zijn teksten. Dat maakt zijn werk bij vlagen enigszins – hoe zal ik het zeggen – religieus getint, en daar heb ik als vrijzinnig ongelovige geen enkel probleem mee.
Van dat alles was ik me echter niet bewust toen ik in Praag ‘All Along the Watchtower’ stond te zingen. Praag, met zijn burcht, door Kafka onvergetelijk geportretteerd in Het slot. Een toepasselijk decor voor dit nummer.
Fotocredits:
© USA, 1990s, Music Sales Corporation, NYC, 6 pages
© Art Photo Limited
–


