door Romain John van de Maele
Paul Snoek, 1967, © digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren
De Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981) was de meest elegant verwoordende dichter van zijn generatie, zonder daarbij in het maniërisme te vervallen dat kenmerkend was voor een aantal Pink Poets zoals Nic van Bruggen (1938-1991) en Patrick Conrad (°1945), hoewel Snoek tot de geestesgenoten van de in 1972 gestichte Antwerpse groep werd gerekend. Maar Snoek was minder op de zuivere esthetiek gericht, en publiceerde in 1962 een opmerkelijke poëticale verkenning in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort: De waarheid van de dichter (p. 611-612). In die verkennende tekst gaat hij uit van het bestaan van waarheid als element van de dichterlijke verwoording, en hij definieert de bron en de status van zijn woorden: ‘Het woord van de dichter is zijn heilige eigendom. Het is de zelfgeschapen bron, waaraan hij drinkt, de bloedende maar levende grondstof waaruit hij put en waarin hij zich wentelt als in een ei, als een zee in dat ei.’ (DW&B, p. 611) Snoek, die sterk zintuiglijke gedichten heeft geschreven, verwees terecht naar de lichamelijke elementen van het spreken, want het is door het lichamelijk in-de-wereld-zijn dat klank, gevoel en ritme zich aan het poëtisch subject openbaren. Snoek verwijst ook naar de rol van het licht zoals dat ook gebruikelijk is in een aantal godsdiensten en in sommige filosofische stromingen.
De essayist Snoek twijfelt niet aan het bestaan van de bron van zijn woorden. Wanneer hij een gedicht schrijft, weet hij dat hij gebruik maakt van ‘zijn heilige eigendom.’ De indirecte vraag naar de wezenlijke natuur van een gedicht wordt beantwoord met een verwijzing naar een eigendom, zonder dat de oorsprong en de bestaansvoorwaarden (de ontologie) van dat eigendom voorlopig bevraagd worden. Heeft een dichter(es) inderdaad een hoogsteigen idioom dat alleen hem/haar toebehoort, en hoe heeft hij/zij dat verworven? En gaat het daarbij om waarheid? De openingsparagraaf van het opstel is rechtlijniger dan de daarna beschreven werkelijkheid van de dichterlijke praktijk.
Zoals de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) benadrukte Snoek de eigengereidheid van het woord: ‘De dichter spreekt niet met het woord, maar het woord spreekt in de dichter, die in het woord verblijft.’ Het is het woord dat spreekt, niet de dichter. Met die verwijzing naar het woord dat spreekt, komt Snoek in de buurt van Rimbaud die op 13 mei 1871 aan zijn leraar Georges Izambard schreef dat het verkeerd was te zeggen: ik denk. Volgens de jonge dichter moest men zeggen: men denkt mij. Paul Rodenko wees erop dat met ‘men’ niet god, inspiratie of het onbewuste werd bedoeld, maar het gedicht. (Tussen de regels, 1956, p. 34-35) Die interpretatie heeft in Snoeks poëticaal credo een eigenzinnig pendant: ‘het gedicht is zelfstandig, autogeen en autocratie.’ Als dat inderdaad zo is, is de dichter dan toevallig degene die belast is met het registreren van het autogene gedicht? En is het woord dan het eigendom van de dichter(es), of is het een echo uit de hem/haar omringende werkelijkheid die in zijn taal weerklinkt, een echo die ook anderen hebben gehoord en waardoor een intersubjectieve ontmoeting als horizonversmelting kan ontstaan? En is er dan sprake van een zelfgeschapen bron? Rimbaud schreef ook: ‘Je est un autre’, of ‘Ik is een andere.’ Een uitspraak die wijst op de spanning tussen identiteit en alteriteit, of de ervaring van het ontmoeten van iets of iemand die als onderscheidend wordt ervaren van het zelf. Twee dagen later lichtte Rimbaud in een brief aan Paul Demeny zijn uitspraak toe: ‘Wanneer het koper als klaroen ontwaakt, is dat niet de schuld van het koper. Dat is voor mij evident. Ik ervaar het ontluiken van mijn denken, ik kijk en luister ernaar, ik schiet een pijl af.’ Wat de jonge schrijver wilde zeggen, was dat hij zichzelf niet begreep en dat niet hij, maar een universeel bewustzijn in en door hem sprak. Rimbaud, die in zichzelf het dichterschap voelde ontwaken, zag zich verplicht om zichzelf te doorgronden, een ontdekkingsreiziger van de eigen existentie te worden.
Snoek sloot aan bij de overwegingen van Rimbaud. Hij schreef: ‘De wil van de dichter is niet zijn eigen, menselijke wil. Het is de ingegeven en vleesgeworden drang naar waarheid. […] Het is niet de dichter die spreekt of sprekende schrijft, het is het sprekende gedicht dat zich laat neerschrijven nadat het is ontstaan en gebeurde in de dichter.’ Een gedicht is anders gezegd een gebeurtenis die zich manifesteert in een persoon met voldoende gevoel voor de betekenis van woorden. Maar hoe kan het woord dan het heilige eigendom van de dichter(es) zijn? Dat was immers de openingszet van Snoeks poëticale speurtocht. Het woord eigendom is in de beschreven context wellicht een overdreven claim, het gaat veeleer om de ontdekking van beelden en verbanden die plots in een versregel aan de oppervlakte komen, verbazing wekken en tot een noodzakelijke registratie leiden. Een gedicht bestaat uit gesproken (gestolde) woorden, maar de oorsprong ligt in het spreken, of in de sprekende woorden, woorden die door het spreken (een nieuwe) betekenis krijgen. Het is de opgave van de lezer om op zijn/haar beurt die betekenis te ontdekken en al dan niet de waarheidsaanspraak te bevestigen of te verwerpen. Wanneer de lezer de zelfde waarheid herkent, wordt de subjectiviteit (van het sprekende woord), die volgens Søren Kierkegaards alter ego Johannes Climacus waarheid is, een intersubjectief gedeelde ervaring, die men in de dichter-lezer-context als waarheid kan omschrijven.
Waarheid is een bij uitstek filosofisch begrip en is niet vergelijkbaar met de waarheid van de positieve wetenschap: die waarheid is het onweerlegbare en reproduceerbaar resultaat van een specifiek vraagstuk over de meetbare aspecten der dingen. Het meetresultaat is een objectief gegeven, maar er gaat een subjectieve (menselijke) vraagstelling aan vooraf waarvan soms nog een echo in het meetresultaat weerklinkt door een verwijzing naar de natuurkundige die zich het eerst met een fenomeen heeft beziggehouden: zo is de eenheid van elektrische weerstand (ohm) naar de natuurkundige Georg Ohm genoemd, de eenheid van spanning (volt) naar de Italiaanse natuurkundige Volta en de eenheid van stroomsterkte (ampère) naar de Franse fysicus André-Marie Ampère. Hardheid, temperatuur, soortelijk gewicht, lichtjaren en geleiding- en uitzettingscoëfficiënten bestaan slechts als resultaat van een menselijke vraagstelling. De Duitse fysicus en Nobelprijswinnaar Werner Heisenberg (1901-1976) heeft er in Das Naturbild der heutigen Physik terecht op gewezen dat de mens in de moderne natuurkunde zichzelf ontmoet. (Heisenberg 1956, p. 18)
De waarheid van gedichten ligt ook niet in de heldere en duidelijke voorstellingen die de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) als basis van de wetenschap beschouwde, en die uiteindelijk door god werden gewaarborgd. Ook Paul Snoek beriep zich op het goddelijke en ‘bovenmenselijke genade’ als ultieme bron van het woord, waardoor hij zich expliciet op metafysisch terrein waagde. Snoeks zoektocht verwees naar een element dat de dichter transcendeert. Gedichten bevatten vaak metaforen en beelden waarin de dichter als subject inderdaad buiten zichzelf treedt en die door de lezer op meer dan één manier kunnen worden verstaan. Maar het buiten zichzelf treden impliceert geen transcendentie, wel het herkennen van een relatie met de dingen als fenomeen en het zijn (de existentie) der anderen. Gedichten zijn geen vraagstukken, ze zijn echo’s van de existentie en de menselijke verwondering die al dan niet aanstekelijk werkt, of zoals Karl Jaspers (1883-1966) schreef: ‘was Wahrheit ist, liegt zugleich im Wesen des Umgreifenden, worin Mitteillung erfolgt, beschlossen: ob Mitteilung von Dasein zu Dasein, oder an das Bewusstsein überhaupt gehe, oder in der Idee des Geistes geschehe…’ (Jaspers 1935, p. 152). Waarheid is niet eeuwigdurend en altijd gebonden aan tijdelijkheid en ruimtelijkheid, of zoals Stefaan van den Bremt heeft geschreven: ‘Dichten is het IK en het NU / betrekken in het spanningsveld / van alledag en alleman’ (in: Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen, 1972, 5).
–

