LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Antoon Van den Braembussche – Spiegel van de ziel

15 jun 2026

De rijkdom van het onvoltooide

door Johan Reijmerink




In zijn nieuwste bundel Spiegel van de ziel (2026) is voor Antoon Van den Braembussche de poëzie opnieuw een creatieve plek bij uitstek om leven, kunst en filosofie met elkaar te verbinden. Daarin vormen de thema’s liefde, droom, stilte en het onuitsprekelijke de kern. Het weemoedig besef van vergankelijkheid dat de creativiteit kan bevorderen, is daarbinnen zijn grondhouding.

De bundel bestaat uit zeven korte afdelingen van persoonlijk getinte gedichten. Het maatschappijkritisch slotakkoord is een gedicht, gewijd aan de kinderen van Gaza, waarin het landschap van de hedendaagse ziel wordt weerspiegeld. Alle gedichten van deze bundel zijn van een titel voorzien. De observaties zijn in relatief korte strofen, versregels en bewoordingen opgesteld. De citaten, voorafgaand aan de afdelingen, geven karakteriseringen van wat poëzie kan zijn. Bij het lezen drong het besef zich aan me op dat het hier om gewaarwordingen gaat die zich moeilijk laten verwoorden. Bij herhaald lezen opent zich pas vanuit de totaliteit van het gedicht de betekenisgelaagdheid.

Met het motto ‘Le papier, c’est un dieu absent qui nous regarde.’ verwijst Maarten Embrechts naar de onverklaarbare werkzaamheid die er van het blanco papier uitgaat. De suggestie wordt ermee gewekt alsof het gedicht al op de dichter ligt te wachten. Er doet zich in het creatieve proces iets wonderbaarlijks aan hem voor. Het lijkt alsof hij voor even zijn verstand lijkt te verliezen bij het maken van poëzie. Goede gedichten openen een perspectief, waarin we zicht krijgen op het ‘niet weten’, leegheid, stilstand, het gevoel en het weten dat de wereld zoals wij die zien de werkelijke niet is, maar oplost en plaatsmaakt voor de wereld die wij niet kennen.

De titel van de bundel Spiegel van de ziel raakt aan de samenhang die er bestaat tussen een binnen- en buitenwereld. De ogen worden gewoonlijk beschouwd als de ‘spiegel van de ziel’, omdat zich daaraan de emoties en passies van een mens laten aflezen. Deze bundel weerspiegelt de innerlijke wereld van het lyrisch subject. In de eerste afdeling ‘Zij herinnert zich’ staat de liefde tussen een man en een vrouw centraal. Het schilderij van John Clarysse ‘To agree or disagree, that’s the question’ (2016) illustreert de nabijheid en afstand die er tussen de liefdespartners bestaat. De gesproken en onuitgesproken woorden zinderen bij de ik nog na. De hoop is gelegen in het zwijgen over wat was én niet was: ’Als je wil dat ik blijf/ zeg dan niets meer.’ De hoop voor de toekomst is gelegen in het stilzwijgen ‘waarin alles nazindert/ in een blauw en breekbaar licht.’ En toch is er door het stilzwijgen heen iets ‘wat de adem afsneed, maar binnenin voorgoed/ begon te zingen.’ De ik vindt ‘de nooduitgang / die liefde en soms overgave/ wordt genoemd’. Opnieuw dient de nabijheid zich aan en het zich opgenomen weten in ‘een klein universum van verdwaalde gebaren.’ Dat leidt ertoe ‘het geheimschrift/ van je lichaam’ te omhelzen om uiteindelijk het ‘wellicht later’ om te vormen in ‘later eerder’. De dichter weet het zoeken en tasten naar innerlijke lichtheid subtiel te verwoorden.

In de tweede afdeling ‘Franse suite’ is in het gedicht ‘Le cafard’ het huis ‘niet anders meer/ dan een raakvlak/ waarin elke begeerte verkruimelde / wegebde en uit het zicht verdween.’ Tegelijk was alles ‘wat verleden en vergeten is / en toch aanwezig [is] / in het algoritme van je lach’. Het gedicht ‘La mélancholie’ herbergt het ‘alsemkruid / van vroegere dagen’. Er is zicht op een ‘ontroostbaar verlangen / naar een punt in de verte. // Ver voorbij de wanhoop.’ Op dit punt aangekomen past het woord van Italo Calvino dat ‘melancholie verdriet is dat licht kan worden’. In een dergelijke situatie, zo meent de ik, is het gevaarlijk sommige vragen te stellen, omdat de ‘dualiteit van taal’ geen soelaas meer biedt in de zoektocht ‘naar het onvermoede.’ Dan blijft nog over ‘de grammatica van de stilte’. Zoals in het gedicht ‘Compagnons de route’ blijft de hoop bij de ik levend een ‘eindbestemming’ te vinden ‘waarin het zwijgen / niet langer onwerkelijk is.’

De derde afdeling ‘Momentopnamen’ vindt haar opening in het besneeuwde Boeddhabeeld dat verwijst naar het eeuwige niets: ‘Zijn handen gevouwen in een niets / waar de sneeuw niet smelt.’ Boeddha, ‘contemplatief, kijkt omlaag. / Het is niet de sneeuw die valt/ maar de wereld die hem draagt.’ In deze afdeling overheerst ‘De stilte van Antarctica’, uitgedrukt in krachtige beelden: ‘Ik ben niet langer / de vele ego’s / waarin het leven / zich verdeelde.’ Het landschap doet zich als een enigma aan de ik voor: ‘geen horizon, geen houvast, / geen raakvlak, geen licht en schaduw meer’. De ik lijkt ontdaan te worden van zijn menselijke gedaante: ‘Maagdelijk, alomtegenwoordig. / In het midden van nergens. / En steeds weer mateloos alleen.’ Naast dit opgaan in het niets en nergens spreekt de dichter in dezelfde afdeling zijn ‘ongeschonden hunkering’ uit naar ‘de aarde, de vallei en het gedicht.’ Zo kan hij al fietsend ‘pure mystiek’ beleven te midden van het landschap.

In de vierde afdeling ‘Zo bleef ik spreken’ verhult de dichter, Novalis indachtig, niet dat poëzie de wonden heelt die het verstand slaat. Van den Braembussche benadert al zijn leven lang de werkelijkheid op twee manieren. Naast zijn denkkracht om het leven te doorgronden is er zijn emotioneel aangedreven melancholie, waarmee hij het mysterie van het leven door de verstillende werking van de poëzie gewaar tracht te worden, zoals in het gedicht ‘Droom van een gedicht’ waarin hij spreekt over ‘Een gedicht dat langzaam / langs je wangen neersijpelt.’ Naast het verlangen naar een onaardse liefde blijft het verlangen naar de woorden en beelden opspelen in het ‘Gevonden gedicht’:

O gedicht dat ik vond
en als geheim meedraag
naar het onbeschreven blad.

Ruis uit de duisternis waar ik
niet eens om vroeg.

Hoe de woorden zich tot poëzie vormen, blijft ook voor deze dichter duister. Er is blijkbaar sprake van een liefde tussen woorden, ‘waarin uiteindelijk alles vreemd wordt / en meerduidig. // Leegte waarin we desondanks / onszelf ontmoeten.’

In de vijfde afdeling ‘Zegswijzen’ heeft de poëzie het karakter van een innerlijk gezang. In het gedicht ‘Toespraak’ weet de ik zich in ‘de dagen / van vervreemding’ waarin de ander hem niet herkende en hij blind tastte ‘in het vacuüm van de begeerte’. In de ‘bloedeigen vereenzaming’ sprak de ander tot hem. Hij ervoer het als een ‘Black out’: ‘Iedereen verkeerde even / in een andere dimensie. / Een andere toonaard van de tijd.// Even maar.’ In het gedicht ‘Het wezenloze’ spreekt de dichter zijn bewondering uit voor het onvoltooide, ‘wanneer het schittert en uitdooft / net voor het verdwijnt / in het zwarte gat.’ Van de Braembussche blijft cirkelen tussen spreken en zwijgen in zijn zoektocht naar de passende woorden en beelden. Hem rest niets anders ‘dan een onbewogen zwijgen in mystiek.’ Voortdurend geeft de dichter ons zicht op de moeite die het creatieve proces hem geeft.

In de zesde afdeling’ Modus vivendi’ verwijst het eerste gedicht ‘The cuddler’ naar het ernaast afgebeelde schilderij van Sofie Muller dat ook op de omslag staat.

The cuddler

Een man schreeuwt
in het sluimerend beeld
zijn vermoorde onschuld uit.

De angst ligt erin vervat
onderaardse angst
die zich een uitweg zoekt.

Het hoofdkussen verzacht
de hang naar het ultieme contact.

Het wonderlijk moment
waarop de man in gebogen lijnen
droomt van cirkelgang en ommekeer.

Zichzelf omarmt.

In weerbare vertedering
die nooit, nooit met sterven ophoudt.

En daarom meer dan ooit levend
eenzaam en gehurkt
in de bloedkoraal van de tijd.

Deze ‘cuddler’ of knuffelaar beeldt in het ‘sluimerend beeld’ een kwetsbare onschuld uit, maar tegelijk straalt er angst uit zijn gehurkte gestalte en de omklemming van het hoofdkussen. Het toont een behoefte aan ‘intens contact’. Indachtig Nietzsche lijkt hij te dromen van de ‘cirkelgang en ommekeer’: de eeuwige wederkeer der dingen. In zijn omarming toont zich een ‘weerbare vertedering’. Zijn gestalte straalt niet alleen eenzaamheid, maar ook ingehouden levenskracht uit. In deze gestalte schuilen ook ‘bergruimtes vol weemoed, / archiefmappen met heimwee’. In het gedicht ‘Iedereen’ leeft ‘de zachte, meetlatlange dwang / naar perfectie.’ Ieders leven kent de droom als een uithoek van het bestaan: ‘Graffiti van het ongrijpbare / waarin ik tenslotte mezelf verloor.’ Dat leidde uiteindelijk naar het zelf betekenis geven aan de dingen van alledag, naar zelfacceptatie en -kennis.

In de zevende afdeling ‘Ars Musica’ geeft de dichter de voorkeur aan de muziek boven de woorden, zoals de filosoof en musicoloog Vladimir Jankélévitch dat heeft geformuleerd. In ‘Silent music’ openbaart zich de onthechting waarin de muziek als ‘leermeesteres van het moment’ heerst. Het roept een ‘milde verbijstering’ op bij de luisteraar: ‘Geluk en tristesse / op het bijna onhoorbare klavier’. Als laatste klinkt het beroemde muziekstuk ‘Spiegel im spiegel’ van de Estse componist Arvo Pärt op.

Klank.
Als eerbetoon aan de stilte.

Spiegel van de ziel.

Blad dat neerdwarrelt
In een verre rivier.

Klank die zich terugplooit
in verwondering.

Uitgekristalliseerd.
Roerloos en geronnen.

Na zijn innerlijke blokkade schreef Arvo Pärt na 1976 in twee jaar tijd verbluffend veel werken, in de tintinbuli-stijl, zoals Fratres, Tabula Rasa en Spiegel im Spiegel. Hij werd er vanaf de jaren tachtig wereldberoemd mee. De structuur van Spiegel im Spiegel volgt een strikte formule. Geen noot wordt aan het toeval overgelaten. Elke stijgende lijn wordt gevolgd door een dalende. Eerst bestaat de melodie uit slechts twee noten, bij elke volgende frase wordt er een aan toegevoegd, waardoor een schijnbaar eindeloos continuüm ontstaat. De pianopartij begeleidt de melodie bij elke stap als een schaduw en speelt rinkelende noten die als kleine klokjes afwisselend boven en onder de melodielijn zweven, volgens een strak mathematisch stramien. De klank plooit zich terug ‘in verwondering’. Het vereist dat de speler goed naar zichzelf luistert. En moet weten wat hij de toehoorders wil vertellen. Hij moet zijn ego wegzetten bij de uitvoering. De ware virtuositeit schuilt hem in de zuivere en onschuldige intentie van de vertolker, aldus Twan Geurts in zijn recente biografie Componist van de stilte (2026).

Als epiloog schrijft Van den Braembussche het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ waarin hij de hoop uitspreekt dat we de waanzin van de verschroeide aarde achter ons zullen laten. Wij, dichters ‘kijken toe, losgezongen van de tijd. / En desondanks schrijven wij de waanzin kwijt.’ Dat zijn onze salvo’s van verzet, ‘Want anders is er na afloop slechts een treurnis / In een wereld waarin niemand nog aanwezig is.’

Van den Braembussche heeft met deze bundel een ingetogen en doorleefde bundel geschreven die ons meevoert in zijn openstelling voor de ander, het creatieve proces en de omringende wereld. Deze dichter beseft heel goed dat we de werkelijkheid niet goed kunnen doorgronden met ons denken: ‘De indrukwekkende bijna-stilte / waarbij het denken/ wegdroomt en zwijgt.’ In dat ‘bijna zwijgen’ herken ik het tijdeloze karakter van zijn betekenisvolle en veelzeggende stiltes. Hij koestert in zijn opgaan in het andere de rijkdom van het onvoltooide.
____

Antoon Van den Braembussche (2026). Spiegel van de ziel. Uitgeverij P, 72 blz. € 19,50. ISBN 9789493534056

     Andere berichten