Silvester Klaasman (1989) schrijft poëzie over menselijke relaties in de laatkapitalistische atmosfeer van vervreemding. Zijn werk kenmerkt zich als ingetogen en beeldend. Zijn achtergrond ligt in de journalistiek en de filosofie. Dat laatste ging hij studeren om een betere journalist te worden, journalist ging hij studeren om een betere schrijver te worden. Dat hielp niet, maar als dichter herpakt hij zich. In Meander debuteert hij met drie gedichten.
foto © Hülya Duya
–
Ik ben klaar om met
lange halen (de zee in)
te zwemmen;
de verdrinkingsdood te sterven
of erachter te komen, dat ik
al die tijd een vis was.
–
Ik zie een weduwnaar hangen
aan een lapje stof
bovenaan een steile rotswand
(een kind kwam ooit langs, reikte hem een trui aan).
–
–
Nu schijnt de zon er binnen.
De diepte berust
–
in de ongemakkelijke meditatie
(al wordt ze erdoor geringschat)
–
ze weet dat ze hem niet zal kunnen opvangen
en heeft daarom besloten
zijn gehuil zo ver mogelijk
te dragen.
–
Ik ben een felgekleurde vogel
die niets begrijpt
van de volhardendheid
van zijn verdriet.
–
Ik verbaasde me altijd over je
linkshandigheid
die jij er de schuld van gaf je eten
altijd met de botte kant van het mes te moeten snijden.
–
Thuis, aan de keukentafel
in ons luchtrijtjeshuis
met de regendouche
die diende om ons schoon te houden,
maar die hoe langer, hoe meer
diende als iets
om langzaam en warm je tanden onder te poetsen.
–
Hij beschermde me ook soms
voor jouw onderkoelde hysterie,
want hij regende begrip.
–
Ik kon je doen huilen.
Je groeide zaadlijsten van tranen
op je wangen.
Hier, hoog in de lucht, was die zachte, schrale huid
de enige plek
waar iets groeien kon.
–
’s Avonds leunde ik tegen de hemellantaarn,
rokend,
zag ons huis,
jouw lijden,
en de wolken die langzaam aan mijn voeten
voorbij dreven.


